RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443633 / JE RK 26-7 Datum uitspraak: 23 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, locatie Amsterdam , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] , [de oma mz] , hierna te noemen: de oma (moederszijde) wonende in [woonplaats 2] . 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 december 2025; het e-mailbericht van de oma van 13 januari 2026; de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 16 januari 2026, ingekomen bij de griffie op 21 januari 2026; het e-mailbericht van de vader van 19 januari 2026, betreffende een afmelding voor de zitting. 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari
- Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: de moeder; de oma; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.
- Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de vader niet bij de zitting verschenen. Op 19 januari 2026 heeft de vader zich via een e-mailbericht afgemeld voor de zitting. 1.
- De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De oma van [minderjarige] heeft de kinderrechter op 13 januari 2026 laten weten dat [minderjarige] niet naar het kindgesprek zal komen, omdat er nog teveel op hem afkomt. 2De feiten 2.
- De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
- De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 januari 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en tevens een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Laatstelijk, bij beschikking van 21 januari 2025, heeft de kinderrechter de maatregelen van [minderjarige] verlengd, met ingang van 27 januari 2025 tot 27 januari
- 2.
- [minderjarige] verblijft sinds januari 2025 bij [gezinshuis] in [woonplaats 3] . 3Het verzoek 3.
- De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden. 3.
- Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van negen maanden. 3.
- De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4Het standpunt van de GI 4.
- Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. In de thuissituatie heeft [minderjarige] onveiligheid ervaren. De gezinssituatie was instabiel, met wisselende opvoeders, het ontbreken van een stabiele vaderfiguur en een gebrek aan een veilige ouderfiguur. Sinds januari 2025 verblijft [minderjarige] bij [gezinshuis] . Daar wordt gezien dat hij een positieve ontwikkeling doormaakt; [minderjarige] is minder hyperalert en kan zijn gevoelens beter onder woorden brengen. In het samenspelen met anderen laat hij leerbaarheid zien. Hoewel hij moeite blijft hebben met de aanwezige structuur, lukt het hem steeds beter om de grenzen te accepteren. Echter, er blijven zorgen. Zo uit school zorgen over het sociaal functioneren van [minderjarige] , zijn impulsiviteit en werkhouding. Ook wordt gezien dat [minderjarige] in discussie of conflicten raakt, zonder daarbij zijn eigen aandeel te zien. Daarnaast behoudt de GI haar zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . 4.
- Bij [gezinshuis] toont [minderjarige] in toenemende mate vertrouwen richting de begeleiding. Hij zoekt actief nabijheid op van volwassenen. [gezinshuis] kent een gestructureerde omgeving, overzichtelijkheid en voorspelbaarheid voor [minderjarige] . Er is daar sprake van 24-uur per dag professionele begeleiding en toezicht. Dit therapeutisch leefklimaat heeft [minderjarige] nodig en draagt bij aan de reductie van zijn stress. 4.
- Hoewel de GI nog geen perspectiefbesluit heeft genomen, is een terugkeer van [minderjarige] naar (een van) de ouders geen optie. De moeder heeft beperkte lichamelijke draagkracht en laat soms instabiliteit zien, terwijl de vader, die in een 24-uurs setting woont, eerder lange tijd afwezig was. Tussen de vader en [minderjarige] is nu sprake van beginnend contact via het schrijven van kaartjes. Het contact tussen hen dient, om teleurstelling bij [minderjarige] te voorkomen, zorgvuldig te worden opgebouwd. Het eerste fysieke contactmoment vindt volgende week plaats bij [gezinshuis] , onder begeleiding. De oma is een belangrijke hechtingsfiguur voor [minderjarige] . Gezien haar leeftijd en gezondheid kan zij niet meer de dagelijkse zorg voor [minderjarige] dragen. 4.
- De GI verzoekt de maatregelen te verlengen voor de duur van negen maanden. Daarna, als het goed blijft gaan, kan de zaak worden overgedragen naar hij vrijwillige kader. Het netwerk om [minderjarige] heen heeft goede stappen gezet, zo is de moeder gegroeid in het contact en gaat ook de samenwerking tussen de moeder en de oma goed. In de komende periode zal worden ingezet op traumabehandeling. Als uit die behandeling blijkt dat er sprake is van kind-eigenproblematiek zal daarvoor passende hulpverlening, zoals PMT, worden ingezet. 4.
- De GI begrijpt dat er behoefte is aan een perspectiefbesluit. Volgens de GI ligt het perspectief van [minderjarige] bij [gezinshuis] . De GI kan zich erin vinden dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) wordt verzocht hiernaar onderzoek te doen. In de tussentijd dienen de maatregelen te worden verlengd, zodat de huidige situatie gewaarborgd blijft. 5Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad 5.
- De moeder brengt, samengevat, naar voren dat zij akkoord is met het verzoek. Voor de moeder is duidelijk dat zij niet voor [minderjarige] kan zorgen. Zij is slecht ter been en kan bijvoorbeeld geen trappen lopen. De moeder heeft zorgen over haar eigen gezondheid. Zij weet dat de omgang zoals deze nu is, niet uitgebreid kan worden. De moeder maakt zich wel zorgen over de vader van [minderjarige] , die er volgens haar werk van zal maken dat [minderjarige] uiteindelijk bij hem komt wonen. Daar is zij het niet mee eens. De moeder is het eens met een perspectiefonderzoek door de Raad. 5.
- De vader heeft de kinderrechter schriftelijk laten weten dat hij instemt met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling kan ondersteunen bij het opbouwen van contact. De vader vindt het belangrijk dat er iemand is die de belangen van [minderjarige] kan behartigen. 5.
- De oma brengt, samengevat, naar voren dat ook zij zich zorgen maakt over de vader. Zij is bang dat hij [minderjarige] gaat opeisen. Dit is niet de bedoeling, omdat [minderjarige] bij [gezinshuis] goed zit. Ook is het in zijn belang dat hij samen blijft met zijn halfzusje dat ook bij [gezinshuis] verblijft. De oma stemt in met de verzoeken. De oma ondersteunt ook een perspectiefonderzoek door de Raad. Zij hoopt dat daarin ook het verleden van de vader en diens gezinssituatie wordt meegenomen. 5.
- De Raad heeft de kinderrechter schriftelijk geadviseerd. De Raad concludeert, samengevat, dat een verlenging van de maatregelen het meest bijdraagt aan het zorgen dat het goed blijft gaan met [minderjarige] . De Raad ziet dat er voldoende doelen zijn om binnen de ondertoezichtstelling aan te werken, zoals het contactherstel tussen [minderjarige] en zijn vader. Dit contact moet op een zorgvuldige wijze worden opgebouwd en worden begeleid door de GI. De Raad stemt aldus in met de verzoeken. 6De beoordeling Wat zegt de wet? 6.
- Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 6.
- Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; . de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 6.
- Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 6.
- Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Verlenging ondertoezichtstelling 6.
- De kinderrechter kan hier kort zijn. Naar het oordeel van de kinderrechter wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter ziet en hoort dat [minderjarige] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en er met name zorgen zijn over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Hoewel uit de overgelegde stukken ook blijkt dat er in de afgelopen periode positieve stappen zijn gezet, zoals en begin van contactherstel met de vader, blijven er onverminderd zorgen aanwezig ten aanzien van het sociaal functioneren van [minderjarige] , het uiten van gevoelens, het accepteren van grenzen en de onrust die [minderjarige] kent rondom verdriet, rouw en verlies. 6.
- De kinderrechter overweegt daarbij ook dat regievoering van en monitoring door de GI noodzakelijk blijft. De kinderrechter is verheugd om te merken dat de verstandhouding tussen de moeder en de oma is verbeterd en dat zij nu op één lijn zitten, echter ten aanzien van hun verhouding met de vader is dat niet het geval. De kinderrechter heeft er dan ook geen vertrouwen in dat het gezin in de nabije toekomst kan worden overgedragen aan het vrijwillig kader. De verhoudingen zijn daarvoor te onstabiel en de zorgen over [minderjarige] zijn te groot. Bovendien dient de GI te blijven monitoren hoe het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader verloopt en moet ingezette hulpverlening worden gecontinueerd. Betrokkenheid van de GI blijft daarin noodzakelijk. Daarbij komt ook dat is gebleken dat de ouders beiden te kampen hebben met eigen persoonlijke problematiek en het hen niet lukt om zelfstandig, in onderling overleg, de juiste keuzes voor [minderjarige] te maken. 6.
- Het voorgaande betekent dat de kinderrechter het verzoek zal toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen met ingang van 27 januari 2026 tot 27 oktober
- De kinderrechter acht deze periode passend zodat het opstarten van behandeling en het zorgvuldig uitbreiden van contact tussen [minderjarige] en de vader kan plaatsvinden. Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 6.
- Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] gelet op zijn eigen problematiek en de persoonlijke problematiek van de ouders niet bij (een van) hen kan worden teruggeplaatst. Van belang is dat [minderjarige] vanuit zijn plaatsing bij [gezinshuis] , en de veiligheid, structuur en kaders die hem daar worden geboden, toekomt aan verdere behandeling en ontwikkeling. Gebleken is dat de moeder en de oma zich hierin kunnen vinden. Met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt de plaatsing van [minderjarige] bij [gezinshuis] gewaarborgd. 6.
- Gelet hierop zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, wat betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing geldt met ingang van 27 januari 2026 tot 27 oktober
- Perspectiefbesluit 6.
- Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat voor de GI duidelijk is dat [minderjarige] tot zijn meerderjarigheid opgroeit bij [gezinshuis] . De moeder en de oma kunnen zich hiermee verenigen. Ten aanzien van de vader geldt dat hij het eens is met de ondertoezichtstelling, maar niet gebleken is dat hij zich kan vinden in een verblijf van [minderjarige] bij [gezinshuis] tot zijn meerderjarigheid. Sterker, de moeder en de oma vrezen dat de vader zich in de toekomst zal inzetten voor een terugkeer van [minderjarige] bij hem. Nu van enig perspectiefbesluit van de GI niet is gebleken, terwijl [minderjarige] en zijn netwerk deze duidelijkheid wel nodig hebben, acht de kinderrechter het van belang dat dit perspectiefbesluit er op korte termijn komt. 6.
- Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de Raad gelasten om een onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] . Volledigheidshalve merkt de kinderrechter hier op dat zij dit onderzoek ook verlangt ten aanzien van het halfzusje van [minderjarige] ( [halfzusje] , in de zaak met kenmerk C/02/443352 / JE RK 25-2291). 6.
- Dit betekent dat de kinderrechter de Raad dan ook zal verzoeken om een onderzoek te verrichten naar het perspectief van [minderjarige] . De kinderrechter gaat er hierbij van uit dat de Raad over de resultaten van dat onderzoek zal rapporteren en adviseren in het kader van een nog door de GI in te dienen opvolgend verzoek met betrekking tot de beschermingsmaatregelen voor [minderjarige] . Voor de goede orde merkt de kinderrechter op dat het dus niet de bedoeling is om het onderzoek in te dienen in deze zaak, aangezien het verzoek van de GI volledig zal worden toegewezen. De kinderrechter verwacht dat het onderzoek zal worden overgelegd bij een toekomstig verzoek van de GI tot verlenging van de maatregelen. Het is aan de Raad en de GI om dit nader met elkaar af te stemmen. 6.
- Tijdens de zitting is gebleken dat de moeder, de oma en de GI een perspectiefonderzoek door de Raad ondersteunen. Positie oma als belanghebbende 6.
- De kinderrechter zal ook in deze procedure de oma aanmerken als belanghebbende. De kinderrechter overweegt daartoe dat de oma een belangrijke hechtingsfiguur is in het leven van [minderjarige] en dat zij, waar zij kan, [minderjarige] blijft ondersteunen. Zij is nauw betrokken. Bovendien is de oma lange tijd opvoeder geweest van [minderjarige] en is zij bekend met de problematieken van [minderjarige] en de ouders. Uitvoerbaar bij voorraad 6.
- De kinderrechter zal de beslissing ten aanzien van de verlenging van de maatregelen uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kan worden. 7De beslissing De kinderrechter: 7.
- verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 januari 2026 tot 27 oktober 2026; 7.
- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 januari 2026 tot 27 oktober 2026; 7.
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 7.
- verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag waar het perspectief van [halfzusje] ligt en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport in het kader van een door de GI in te dienen opvolgend verzoek bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de GI, de moeder, de vader en de oma. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari
- Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.