← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1101

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443216 / JE RK 25-2272 Datum uitspraak: 23 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ; bijgestaan door mr. A. Ch. Osté, advocaat te Dongen. [de pleegouders] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2025; de brief toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaats na 2 jaar van de Raad van 23 december
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari
  4. Daarbij waren aanwezig: - de moeder bijgestaan door haar advocaat; een vertegenwoordigster van de GI; de pleegouders. Tevens was aanwezig de heer [naam] , ambulant begeleider van de moeder vanuit [zorginstelling] . Aan hem is bijzondere toegang verleend. 2De feiten 2.
  5. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
  6. Bij beschikking van 28 januari 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 4 februari 2025 tot 4 februari
  7. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 februari 2025 en tot 4 februari
  8. 2.
  9. [minderjarige] verblijft op grond van voormelde beslissing in het pleeggezin. 3Het verzoek 3.
  10. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.
  11. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.
  12. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De standpunten 4.
  13. Door de GI is in de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [minderjarige] sinds hij een paar weken oud was, woont bij het pleeggezin waar hij veilig is gehecht. Binnen het pleeggezin wordt gezien dat [minderjarige] zich veilig kan ontwikkelen en opgroeien in een stabiele gezinssituatie. Het perspectief van [minderjarige] is bepaald; hij zal niet meer bij de moeder worden geplaatst. De zorgen omtrent de veiligheid van [minderjarige] zijn niet geheel afgenomen. De moeder heeft de jeugdbeschermer gevraagd om haar nabije Somalische familie te betrekken bij de opvoedsituatie van [minderjarige] maar het commitment vanuit de opa en de biologische vader is nog steeds niet gegarandeerd. Zij wonen in het buitenland. Er kan nog steeds sprake zijn van eerwraak. Voor de nabije familie is [minderjarige] inmiddels geen geheim meer, maar er wordt geen gedegen contact onderhouden met [minderjarige] . Hierdoor is [minderjarige] zich niet bewust van zijn biologische familie. [minderjarige] ontvangt van de moeder, ondanks meerdere verzoeken, structureel geen filmpjes waar zijn biologische familieleden opstaan. Hierdoor lukt het niet om [minderjarige] vertrouwd te laten raken met zijn biologische familieleden. Nu niet duidelijk is hoe de veiligheid van [minderjarige] gegarandeerd kan worden, zullen de omgangsmomenten begeleid blijven. Tijdens de omgangsmomenten wordt gezien dat de moeder niet tot spelen komt met [minderjarige] . Ook praat zij bijna niet en maakt zij moeizaam contact. Dit resulteert in overbelasting van [minderjarige] . [minderjarige] wil soms niet naar de omgangsmomenten en spreekt naar de pleegmoeder uit dat het hem opvalt dat de moeder niet met hem speelt. De tips die de moeder krijgt van de betrokkenen tijdens de omgang, volgt zij niet op. [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de moeder tijdens de bezoeken, omdat er geen interactie is. Het is belangrijk dat [minderjarige] een omgangsregeling heeft met de moeder die passend is bij de behoefte van [minderjarige] en die hem niet belast en overvraagt. Benadrukt wordt dat het uitbreiden van de omgangsmomenten momenteel niet in het belang van [minderjarige] is. Het is positief dat de moeder inmiddels meer verantwoordelijkheid neemt. Zij is beter in contact met de jeugdbeschermer en komt afspraken beter na. Daarnaast geeft de moeder toestemming aan het pleeggezin om [minderjarige] mee te nemen op vakantie. Onlangs is de moeder aangemeld voor de hulpverlening van [hulpverlening] . Vanwege ziekte is zij niet op de intake verschenen en is de afspraak verplaatst. Op de nieuwe afspraak is de moeder eveneens niet verschenen. De moeder heeft lange tijd geleden aangegeven mee te willen werken aan een IQ test, maar deze test heeft nog steeds niet plaatsgevonden. Eind februari 2026 neemt de Raad een beslissing omtrent het ingediende verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel. Het is belangrijk dat [minderjarige] emotionele toestemming krijgt vanuit de moeder om op te groeien binnen het pleeggezin. 4.
  14. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder niet afwijzend staat tegenover de verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder hoopt dat zij het gezag over [minderjarige] mag behouden. Daarnaast hoopt de moeder dat het perspectief van [minderjarige] bij haar wordt bepaald. [minderjarige] kan bij de oma wonen, want de familie staat hiervoor open. De moeder heeft [minderjarige] destijds uit schaamte afgestaan, maar inmiddels staat de hele familie open voor contact met [minderjarige] . De moeder snapt dat er zorgen zijn, maar deze zorgen zijn te overzien. De moeder is bereid om aan alle hulpverlening mee te werken. De moeder vindt het lastig dat [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten naar de pleegmoeder trekt. Hierdoor wordt het voor haar lastig om haar aandacht erbij te houden. De moeder beseft dat de interactie beter kan, maar de setting maakt de omgang lastig. De moeder hoopt dat de omgang frequenter en onbegeleid kan plaatsvinden. 4.
  15. Door de pleegouders is naar voren gebracht dat zij kunnen instemmen met het verzoek van de GI. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat hij geleidelijk kennis kan maken met zijn biologische familie. De broers en zussen van de moeder mogen kennismaken met [minderjarige] , maar zij komen niet mee tijdens de omgangsmomenten. [minderjarige] zoekt tijdens de omgangsmomenten de veiligheid bij de pleegmoeder. De pleegmoeder probeert de moeder zoveel mogelijk bij [minderjarige] te betrekken tijdens de omgangsmomenten, zodat zij in het spel van [minderjarige] mee kan gaan. De omgang met [minderjarige] is erg lastig voor de moeder. [minderjarige] vertoont weerstand als hij naar de moeder toe moet gaan; zo wil hij zijn schoenen niet aandoen en spartelt hij op de grond. De moeder spreekt Engels en dat verstaat [minderjarige] niet. De pleegmoeder stuurt tweemaal per week foto’s naar de moeder. De moeder heeft eenmaal een foto van haar familie gestuurd, ondanks dat de pleegzorg al vaak heeft verzocht om foto’s en filmpjes van haarzelf en haar familie toe te sturen. Het gaat goed met [minderjarige] binnen het pleeggezin. Hij is dol op zijn broertjes en kletst er vrolijk op los in de thuissituatie. Daarnaast vindt hij het leuk op school en op de muziekles. Als [minderjarige] het ergens niet mee eens is, laat hij dit merken. 5De beoordeling 5.
  16. Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.
  17. Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.
  18. Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.
  19. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.
  20. Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Deze zorgen zijn onder andere gelegen in de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Er zijn al sinds zijn geboorte zorgen over zijn veiligheid bij de moeder, haar familie en de biologische vader, onder meer vanwege eergerelateerde dreiging. Het lukt de GI niet om voldoende zicht op de gezinssituatie te krijgen nu de opa en de biologische vader van [minderjarige] in het buitenland verblijven. [minderjarige] is een lange tijd een geheim geweest voor de familie van de moeder en er zijn periodes geweest waarin [minderjarige] geen contact heeft gehad met de moeder. Daarnaast lukt het de moeder tijdens omgangsmomenten niet om aansluiting te vinden bij [minderjarige] . Hoewel de familie van de moeder mee mag komen tijdens omgangsmomenten, verschijnt er niemand. De moeder stuurt geen foto’s en filmpjes van de familieleden naar [minderjarige] , ondanks de vele verzoeken. Hierdoor kan [minderjarige] zijn biologische familieleden niet leren kennen. De moeder is meermaals niet verschenen tijdens geplande gesprekken met de hulpverlening van [hulpverlening] . Dit alles maakt het noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader blijven plaatsvinden. 5.
  21. Verder is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij het pleeggezin in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat het perspectief van [minderjarige] is bepaald bij het pleeggezin. De kinderrechter begrijpt de wens van de moeder om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op termijn op zich te nemen maar de bezorgdheid over de onveiligheid van [minderjarige] is niet de enige reden dat [minderjarige] bij het pleeggezin verblijft. Er zijn ook nog altijd zorgen over de (opvoed)capaciteiten van de moeder. Daarnaast is van belang dat [minderjarige] al sinds hij twee weken oud is bij het pleeggezin verblijft en hij bij dit gezin veilig is gehecht. De veilige en vertrouwde omgeving die [minderjarige] bij de pleegouders heeft, moet dan ook worden gewaarborgd. 5.
  22. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de gevraagde duur van een jaar, ingang van 4 februari 2026 tot 4 februari
  23. 5.
  24. De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de toegewezen beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat die beslissing moet worden gevolgd, ook als er daartegen hoger beroep wordt ingesteld. 5.
  25. Dit leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  26. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 februari 2026 tot 4 februari 2027; 6.
  27. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 februari 2026 tot 4 februari 2027; 6.
  28. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.