← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1117

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/6527 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. J.W. Vugts), en de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking in verband met het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar over de WOZ-beschikking voor het object [adres] te [plaats] met [aanslagnummer] . 1.
  2. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. 1.
  3. Op 9 september 2024 is een beroepschrift ingediend. Op 8 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. Bij bericht van gemachtigde van 16 oktober 2024 blijkt dat het beroep niet zal worden ingetrokken omdat het beroep nog ziet op de proceskostenvergoeding. Beoordeling door de rechtbank
  4. Belanghebbende heeft het beroep – inzake het niet tijdig beslissen van de heffingsambtenaar – niet ingetrokken. Volgens belanghebbende gaat het beroep enkel nog over het verzoek om een proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft niet gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding. Door het nemen van een beslissing, is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het verzoek om een proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toe te wijzen. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar dient deze proceskostenvergoeding te betalen. Is de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen?
  5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
  6. Bij brief (met dagtekening 12 februari 2024), ontvangen door de heffingsambtenaar op 16 februari 2024, is de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. Belanghebbende heeft meer dan twee weken daarna, te weten op 9 september 2024, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Het beroep heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom.
  7. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar op 8 oktober 2024 alsnog heeft beslist op het bezwaar van belanghebbende en daarbij een dwangsom aan belanghebbende heeft toegekend. De heffingsambtenaar is daarmee tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende dat is ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Het tegemoetkomen ziet dan niet zozeer op de inhoudelijke beslissing, maar op de omstandigheid dat alsnog een beslissing is genomen na het instellen van het beroep. Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende betalen?
  8. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 30a van de Wet waardering onroerende zaken. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per procesbehandeling. In beroep heeft elke procesbehandeling een waarde van €934,-. Aangezien de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend inzake het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar, is een wegingsfactor van 0,5 van toepassing. Daarnaast is de factor van 0,1 eveneens van toepassing conform artikel 30a Wet waardering onroerende zaken. De proceskostenvergoeding bedraagt dan € 46,
  9. Voor zover gemachtigde verzoekt om het buiten toepassing laten van artikel 30a lid 1 en lid 2 van de Wet waardering onroerende zaken, ziet de rechtbank – gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 – geen aanleiding om de factor 0,1 achterwege te laten. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 46,70 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 4:19 van de Awb. ECLI:NL:GHSHE:2024:
  10. ECLI:NL:HR:2025:46.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.