← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1191

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/441719 / FA RK 25-5775 ( [minderjarige 1] ) Zaaknummer: C/02/441723 / FA RK 25-5778 ( [minderjarige 2] ) datum uitspraak: 17 februari 2026 beschikking betreffende vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school op de verzoeken van [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats 1] , thans verblijvende te [verblijfplaats] , advocaat: mr. H.E.Chr.M. Nieland te Bergen op Zoom, in de zaak met kenmerk C/02/441719 / FA RK 25-5775 gericht tegen [vader 1] , hierna te noemen de vader van [minderjarige 1] , wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof te Gilze. en in de zaak met kenmerk C/02/441723 / FA RK 25-5778 gericht tegen [vader 2] , hierna te noemen de vader van [minderjarige 2] , wonende te [woonplaats 3] , advocaat: mr. R.G.J. Kerkhof te Gilze. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedures gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren. 1Het procesverloop 1.

  1. De rechtbank oordeelt in de procedure met zaaknr. C/02/441719 / FA RK 25-5775 op grond van de navolgende stukken: - het op 5 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Nieland d.d. 2 januari 2026 met aanvullende producties; - het bericht van mr. Nieland d.d. 5 januari 2026 met aanvullende producties; - het op 6 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Van Kerkhof d.d. 7 januari 2026 met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Nieland d.d. 13 januari 2026 met bijlagen. 1.2 De rechtbank oordeelt in de procedure met zaaknr. C/02/441723 / FA RK 25-5778 op grond van de navolgende stukken: - het op 5 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Nieland d.d. 2 januari 2026 met aanvullende producties; - het bericht van mr. Nieland d.d. 5 januari 2026 met aanvullende producties; - het op 7 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Nieland d.d. 13 januari 2026 met bijlagen. 1.3 De verzoeken van de moeder en de door de beide vaders gedane zelfstandige verzoeken zijn op 15 januari 2026 gelijktijdig mondeling behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank. Bij die gelegenheid zijn verschenen de moeder en beide vaders, allen bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een tweetal vertegenwoordigsters van de Raad. 1.4 Gelet op de onderlinge samenhang en de gezamenlijke behandeling zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van beide vaders voegen in één beschikking. 2De feiten 2.1 Uit de affectieve relatie van de moeder en de heer [vader 2] is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren: - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1]
  2. 2.2 Uit de affectieve relatie van de moeder en de heer [vader 1] is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2]
  3. 2.3 De heer [vader 2] heeft [minderjarige 2] erkend. De moeder en de heer [vader 2] zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . 2.4 De heer [vader 1] heeft [minderjarige 1] erkend. De moeder en de heer [vader 1] zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . 2.5 Tussen de heer [vader 2] en de moeder staat vast dat zij afspraken hebben gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , overeenkomstig het door de vrouw bij haar verzoekschrift overgelegde, niet ondertekende, ouderschapsplan en dat daarin, voor zover hier van belang en kort samengevat, is opgenomen dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder en bij de man verblijft in de even weken van vrijdagavond tot zondagavond, alsmede gedurende de helft van de zomervakantie in een aaneengesloten periode, en in de overige schoolvakanties in overleg onder toestemming van de moeder, waarbij feestdagen jaarlijks worden afgewisseld en kerst 50/50 wordt verdeeld. 2.
  4. De heer [vader 1] en de moeder hebben afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , welke zijn vastgelegd in een op 14 juni 2025 door beiden ondertekend ouderschapsplan. Uit dit plan volgt de afspraak dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft bij de moeder en dat er een zorgregeling geldt, waarbij [minderjarige 1] minimaal om het weekend in de oneven weken van vrijdag (na school/werktijd) tot en met zondag bij haar vader verblijft. Extra verblijfsmomenten worden in onderling overleg afgestemd. De zomervakantie wordt bij helfte verdeeld, de andere vakanties in onderling overleg. 2.7 De moeder en beide vaders zijn tijdens de mondelinge behandeling op 1 december 2025 ten aanzien van de vordering van de moeder in kort geding tot afspraken gekomen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting. Voor zover hier van belang zijn de volgende afspraken gemaakt: De moeder zal totdat er in de bodemprocedure een beslissing is genomen met de beide kinderen bij oma moederszijde verblijven; De moeder zal tot die tijd geen activiteiten ondernemen die erop gericht zullen zijn om met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats 1] ; De beide kinderen zullen worden ingeschreven op het adres van hun vader; dus [minderjarige 2] bij de heer [vader 2] en [minderjarige 1] bij de heer [vader 1] ; De heer [vader 1] geeft toestemming voor uitschrijving van [minderjarige 1] op de kinderopvang in [plaats 1] ; [minderjarige 2] verblijft nu om het weekend bij zijn vader van vrijdagavond tot en met zondagavond. Die zorgregeling blijft zoals die is; [minderjarige 1] verblijft in de even weken van donderdag tot zaterdagochtend en in de oneven weken vanaf donderdag tot zondagmiddag bij haar vader. De moeder en de heer [vader 1] zullen in overleg treden zodat de moeder de ruimte krijgt om samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [woonplaats 1] te gaan; [minderjarige 2] verblijft bij zijn vader gedurende de eerste drie weken van de kindervakantie regio Zuid. 3De verzoeken C/02/441719 / FA RK 25-5775 3.1 De moeder verzoekt bij beschikking en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: haar toestemming te geven om met [minderjarige 1] naar [woonplaats 1] te verhuizen; haar toestemming te verlenen om [minderjarige 1] uit te schrijven in [plaats 1] en in te schrijven op het [kinderopvang] in [woonplaats 1] en [minderjarige 1] uit te schrijven bij de huidige kinderopvang in [plaats 1] ; 3.2 De heer [vader 1] voert verweer tegen de voornoemde verzoeken van de moeder en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de heer [vader 1] : I primair: te bepalen dat [minderjarige 1] voortaan het hoofdverblijf bij de man zal hebben; subsidiair: te bepalen dat [minderjarige 1] en de heer [vader 1] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: - in de even weken vanaf donderdag tot zaterdagochtend; - in de oneven weken vanaf donderdag tot zondagmiddag; - alsmede een dagelijks (in de avond) (beeld)belcontact; - dan wel een regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] geraden acht; II althans dusdanige beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] geraden acht. C/02/441723 / FA RK 25-5778 3.3 De moeder verzoekt bij beschikking en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: haar toestemming te geven om met [minderjarige 2] naar [woonplaats 1] te verhuizen; haar toestemming te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven op de [basisschool] . 3.4 De heer [vader 2] voert verweer tegen de voornoemde verzoeken van de moeder en verzoekt de vrouw in haar verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de heer [vader 2] : I primair: te bepalen dat [minderjarige 2] voortaan het hoofdverblijf bij de man zal hebben; subsidiair: te bepalen dat [minderjarige 2] en de heer [vader 2] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: - vanaf vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagavond 16:00 uur (alsmede drie weken in de zomervakantie alsmede één week in de kerstvakantie), waarbij de man [minderjarige 2] op vrijdag ophaalt in [plaats 1] en de vrouw [minderjarige 2] op zondag ophaalt in [woonplaats 3] alsmede dat er dagelijks een (beeld)belcontact zal plaatsvinden, dan wel een regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige 2] geraden acht; II althans dusdanige beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang van [minderjarige 2] geraden acht. 3.5 Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan. 4De beoordeling 4.1 De moeder heeft vervangende toestemming gevraagd voor haar verhuizing met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar [woonplaats 1] . De moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat zij lang heeft nagedacht over een volgende stap in haar relatie. Na de turbulente relaties die zij met beide vaders heeft gehad, heeft zij thans een liefdevolle nieuwe relatie met wie zij graag wil samenwonen. De noodzaak voor de verhuizing naar [woonplaats 1] is ingegeven door de nieuwe relatie van de moeder, maar zeer zeker ook door de situatie die in de afgelopen periode is ontstaan. De moeder heeft namelijk per 2 januari 2026 noodgedwongen de huur van haar woning in [plaats 1] moeten opzeggen. Door toedoen van beide vaders en partner is de moeder op staande voet ontslagen, waardoor haar inkomen is weggevallen en zij haar woning niet langer kon bekostigen. Hoewel de moeder gezocht heeft naar een vervangende woonplek in de omgeving van [plaats 1] , is haar dit niet gelukt. De moeder heeft zich daarom genoodzaakt gezien om zich per 2 januari 2026 in te schrijven op het adres van haar partner in [woonplaats 1] . Tot dat zij toestemming van de rechtbank heeft verkregen voor de verhuizing van de kinderen naar [woonplaats 1] , verblijft zij zolang met de kinderen doordeweeks bij haar moeder in [verblijfplaats] . Deze situatie is volgens de moeder erg belastend voor oma en niet lang houdbaar. Toestemming van de rechtbank voor de verhuizing zal veel rust en stabiliteit geven. Zij hoeft dan minder met de kinderen op en neer te reizen van en naar [woonplaats 1] . Als de verhuizing niet wordt toegestaan, dan zal het een lastige situatie worden. Zij heeft hiervoor geen plan B. Het is wel zo dat haar partner co-ouderschap heeft met zijn ex-partner en de mogelijkheid heeft om (eventueel in afwachting van een beslissing van de rechtbank) de andere tijd bij moeder door te brengen. Dit is echter geen wenselijke situatie. Zij kan niet terugvallen op een woning in de omgeving [plaats 1] / [plaats 2] en deze zijn ook op korte termijn lastig te vinden. Daarbij is de situatie bij oma voor de langere termijn niet houdbaar. Het beste voor de kinderen is verhuizen naar [woonplaats 1] . Dit biedt stabiliteit voor de kinderen en de mogelijkheid voor de moeder om met haar partner een leven op te bouwen. De moeder heeft inmiddels een nieuwe baan gevonden in de regio [woonplaats 1] met meer inkomen en de mogelijkheid om vanuit huis te werken. De nieuwe werkgever van de moeder is bereid hierin mee te denken. Opvang voor de kinderen is dan niet meer nodig. De moeder stelt ook dat de verhuizing geen nadelig gevolg zal hebben voor de zorgregeling van de kinderen met hun beide vaders. De weekendregeling van vrijdag tot zondag zal ongewijzigd blijven en de tussentijdse contactmomenten kunnen gecompenseerd worden in de vakanties. De moeder neemt de vervoerskosten voor haar rekening. Uit praktische overweging vraagt zij alleen van beide vaders om naar Breda te komen voor de overdracht van de kinderen. De moeder is het absoluut niet eens met de zelfstandige verzoeken van de beide vaders, omdat dit tot gevolg heeft dat de kinderen van elkaar worden gescheiden. De moeder vindt dit zeer schadelijk voor de kinderen en deze verzoeken moeten dan ook worden afgewezen. De moeder heeft veel moeite met de controlerende en beangstigende houding van de beide vaders. De onderlinge contactmomenten worden gekarakteriseerd door controle vanuit beide vaders en het afleggen van verantwoording. Beide vaders gebruiken de kinderen als instrument om het leven van de moeder te beheersen en te bepalen. De kinderen dreigen hierdoor knel te zitten. De moeder heeft meermaals geprobeerd het gesprek met beide vaders aan te gaan om tot een oplossing te komen. Zij had beide vaders willen meenemen in het gehele proces om richting [woonplaats 1] te gaan. In de ogen van de moeder wordt haar dit onmogelijk gemaakt. De moeder wordt verweten stappen te zetten, maar dit heeft zij wel noodgedwongen moeten doen. Beide vaders hebben deze situatie gecreëerd. Uitgezonderd het criterium van de communicatie voldoet de moeder aan alle criteria van de Hoge Raad. Zij verzoekt de rechtbank dan ook haar verzoek toe te wijzen, onder afwijzing van de zelfstandige verzoeken van beide vaders. 4.2 Beide vaders hebben veel moeite met de verhuizing van de moeder met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar [woonplaats 1] en weigeren hun toestemming hiervoor te verlenen. Namens beide vaders voert de advocaat hiertoe aan dat de relatie van de moeder met de vader van [minderjarige 2] in 2022 is geëindigd, gelijktijdig met aanvang van haar relatie met de vader van [minderjarige 1] . Deze relatie is in februari 2025 geëindigd, waarbij de moeder meteen een relatie kreeg met haar huidige partner. Beide vaders betwijfelen dan ook of er sprake is van een stabiele relatie en of de moeder de stap weloverwogen heeft genomen, zeker als enkele maanden later al een verhuizing wordt aangekondigd. De belangen van de kinderen en de vaders zijn in ieder geval hierbij niet betrokken. De verhuizing heeft voor alle betrokkenen grote gevolgen. Tijdens het kort geding in december 2025 zijn partijen tot een vaststellingsovereenkomst gekomen, waarin de afspraak is gemaakt dat de moeder - in ieder geval totdat er in de bodemprocedure is beslist - geen actie zou ondernemen om naar [woonplaats 1] te gaan. De moeder heeft zich niet gehouden aan deze afspraak. De moeder heeft haar eigen plan getrokken en is toch vertrokken naar [woonplaats 1] . De vaders ervaren de moeder als erg emotioneel instabiel. Zij krijgen geen informatie meer en als zij niet doen wat de moeder wil, worden de kinderen niet meer naar hun vader gebracht. De overdracht van de kinderen raakt steeds meer belast. Daarnaast vrezen de vaders vanwege de grote afstand ervoor dat hun rol in het leven van de kinderen enorm wordt beperkt. Daarbij is het ook zeer waarschijnlijk dat de kinderen op termijn aversie gaan krijgen tegen het lange reizen. Het belemmert hen immers in hun sociale leven dat zij gaan opbouwen in [woonplaats 1] . Het is dan ook invoelbaar dat het tot een vervelende situatie voor de kinderen gaat leiden als zij gaan verhuizen. De vaders hebben daarom zich genoodzaakt gevoeld tot het doen van hun zelfstandige verzoeken om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vaders te bepalen. De vaders maken zich zorgen over de snelheid en de impact van de keuzes die de moeder maakt en de houding die zij laat zien. De vaders betwisten dat de huidige situatie is ontstaan door hun toedoen. Het is de moeder die bepaalde keuzes maakt, zowel in haar werk als haar relatie. Het is duidelijk dat zij dit niet weloverwogen doet en de kinderen zijn hier de dupe van. Beide vaders begrijpen dat wijziging van het hoofdverblijf vergaand is en dat daarvoor een raadsonderzoek nodig is. Beide vaders zijn bereid daaraan mee te werken. De vaststellingsovereenkomst kan zolang van kracht blijven. De moeder moet zo snel mogelijk starten met het zoeken naar een woning in deze regio. 4.2.1 De vader van [minderjarige 2] voert aanvullend aan dat de afstand van en naar [woonplaats 1] vier uur rijden is. Volgens hem is dit niet structureel vol te houden. Als de rechtbank de moeder toestemming geeft voor haar verhuizing, heeft hij het gevoel buiten spel te geraken. Dan wordt hem de mogelijkheid ontnomen om een solide rol te spelen in het leven van [minderjarige 2] . De vader vraagt zich af of de moeder een alternatief heeft als haar niet wordt toegestaan om te verhuizen. Het is aan de moeder om dan voor een oplossing te zorgen. Op het moment dat haar dit niet lukt, dan is [minderjarige 2] bij vader welkom. [minderjarige 2] zou in [woonplaats 3] naar school kunnen en beide vaders zullen er alles aan doen om het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te behouden. 4.2.2 De vader van [minderjarige 1] stelt aanvullend dat hij moeite heeft met het feit dat de vaststellingsovereenkomst interpretabel wordt gemaakt. Er zijn destijds duidelijke afspraken gemaakt. Nu moeten de vaders zich steeds met veel moeite aanpassen. De vader heeft een goede band met [minderjarige 1] . Hij zou dan ook erg verdrietig zijn als het verzoek van de moeder wordt toegewezen. De vader ziet [minderjarige 1] nu wekelijks en vreest ervoor dat hij door de verhuizing volledig buiten spel komt te staan. De vader is bereid de volledige zorg over [minderjarige 1] op zich te nemen. De keuzes die de moeder maakt zijn namelijk niet in het belang van de kinderen. Hij heeft hier goed over nagedacht en wordt hierin gesteund door zijn werk en netwerk. Hij zal in goed overleg met de vader van [minderjarige 2] er alles aan doen om contact tussen beide kinderen te faciliteren. De vader heeft behoefte aan stabiliteit en rust met hele duidelijke afspraken die niet interpretabel zijn en strikt worden nagekomen. Dit voorkomt discussies. In afwachting van een beslissing van de rechtbank dient de vaststellingsovereenkomst strikt worden nagekomen. 4.3 De Raad vindt het een schrijnende situatie. De spanningen tussen de ouders lopen op, wat gepaard gaat met onzekerheid. De kinderen zijn de dupe hiervan. De Raad is van mening dat onvoldoende voldaan wordt aan de criteria die zijn ontwikkeld. Er is pas kort sprake van een nieuwe relatie. Het klopt dat de omgang kan doorlopen, maar de kinderen moeten daarop wel veel inleveren. Dit zal in de toekomst steeds meer worden, wanneer de kinderen bijvoorbeeld in het weekend gaan sporten of met hun vrienden willen afspreken. De Raad heeft hier grote zorgen over alsook over de verhardende strijd tussen de moeder en de beide vaders. De Raad ziet geen noodzaak voor het inzetten van een raadsonderzoek ten aanzien van de verhuizing. Er wordt immers onvoldoende voldaan aan de criteria. Deze afstand blijft ook het probleem als er sprake gaat zijn van een verhuizing van de kinderen naar de beide vaders. Ook dan moet in het kader van de omgang de afstand overbrugd worden. Dit maakt de situatie dus niet anders en niet beter uitvoerbaar. De Raad komt tot de conclusie dat een verhuizing van moeder naar [woonplaats 1] niet in het belang van de kinderen is. Wegens het ontbreken van een noodzaak is nader onderzoek op dit punt niet nodig. De Raad is wel bereid om onderzoek te doen naar het hoofdverblijf van de kinderen, zoals is verzocht door de beide vaders. De Raad benoemt daarbij veel zorgen te hebben over zowel de moeder als de beide vaders en het gedrag dat beide vaders laten zien jegens de moeder. De Raad vindt dat er sprake is van een zorgelijke communicatie tussen de ouders en acht de inzet van hulpverlening hiervoor noodzakelijk. Het bepalen van het hoofdverblijf van de kinderen bij hun vaders acht de Raad voor nu niet in het belang van de kinderen, omdat de kinderen dan van elkaar worden gescheiden. De meest ideale situatie is als de moeder in [plaats 1] blijft en dat bijvoorbeeld haar partner deze kant opkomt. Gedurende het raadsonderzoek moet de situatie blijven zoals die nu is. De afspraken zoals die zijn opgenomen in de vaststellingsovereenkomst kunnen in die periode doorlopen. Mocht de rechtbank besluiten een onderzoek te vragen, dan adviseert de Raad de zaak voor zes maanden aan te houden. 4.4 De rechtbank overweegt als volgt. 4.4.1 De rechtbank stelt vast dat er sprake is van gezamenlijk gezag, zowel ten aanzien van [minderjarige 2] als [minderjarige 1] . Dit betekent dat de moeder voor een verhuizing met de kinderen naar [woonplaats 1] in beginsel toestemming van beide vaders nodig heeft. Deze toestemming ontbreekt. Helaas is het hen niet gelukt om in deze kwestie in onderling overleg tot een oplossing te komen. Nu partijen er zelf niet uitkomen, zal de rechtbank op dit punt een beslissing nemen. 4.4.2 In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan de beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Dat betekent niet dat de rechter alleen maar rekening houdt met het belang van het kind. De rechter moet alle omstandigheden mee laten wegen en dat kan betekenen dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van eerste orde dient te zijn, andere belangen zwaarder kunnen wegen dan het belang van het kind (Hoge Raad, 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5901). 4.4.3 In de rechtspraak zijn vervolgens een aantal criteria ontwikkeld die de rechtbank kan meewegen in haar beslissing: - de noodzaak om te verhuizen; - de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; - de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren; - de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; - de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op een zelfde contact met elkaar in een vertrouwde omgeving; - de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg en de extra kosten die hiermee gemoeid zijn na de verhuizing; - de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder voor en na de verhuizing; - de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen geworteld zijn in hun omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen; - het belang van de ene ouder om te kunnen verhuizen en elders een toekomst op te bouwen; - het belang van de andere ouder dat hij/zij op dezelfde manier voor de minderjarigen kan blijven zorgen. 4.4.4 De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de moeder het recht heeft haar verblijfplaats te kiezen en een nieuw leven op te bouwen. De vrijheid van de moeder om met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verhuizen kan echter worden beperkt ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Nu er ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] sprake is van gezamenlijk gezag en beide vaders de zorg en opvoeding van [minderjarige 2] respectievelijk [minderjarige 1] met de moeder delen, zou een verhuizing van de moeder met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar [woonplaats 1] meebrengen dat de daadwerkelijke uitoefening van het gezag door beide vaders en de zorgregeling worden beperkt. Om die reden zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de vaders of van de kinderen (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de moeder kunnen rechtvaardigen. 4.4.5 De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de wens van de vrouw om een nieuw leven op te bouwen met haar partner duidelijk is en te begrijpen valt. Naast deze wens benoemt de moeder een financiële noodzaak te hebben gehad om de behandeling in de onderhavige procedure niet af te wachten en om al op voorhand zich te laten inschrijven op het adres van haar partner in [woonplaats 1] . Als gevolg van haar gedwongen ontslag en het wegvallen van haar inkomen stelt de moeder niet langer de huur van haar woning in [plaats 1] te kunnen opbrengen. In afwachting van een beslissing van de rechtbank verblijven de moeder en de kinderen als tussenoplossing nu doordeweeks bij haar moeder in [verblijfplaats] . 4.4.6 Zoals voornoemd is de wens van de moeder op zichzelf begrijpelijk, maar naar het oordeel van de rechtbank is de noodzaak voor de verhuizing van de moeder met de kinderen naar [woonplaats 1] onvoldoende aangetoond en weegt deze niet op tegen de gevolgen daarvan voor de kinderen en het contact met hun vaders. Als eerste overweegt de rechtbank hiertoe dat ondanks de gemaakte afspraken tijdens het kort geding in december 2025, in die zin dat de moeder geen stappen ten aanzien van de verhuizing zou zetten tot dat in de bodemprocedure is beslist, de moeder toch haar verhuizing naar [woonplaats 1] heeft doorgezet en inmiddels zelfs een baan heeft aanvaard in deze regio. De moeder voert hiertoe aan dat zij zich om financiële redenen, te weten het door toedoen van beide vaders wegvallen van haar inkomen, genoodzaakt heeft gevoeld deze stap te nemen. De rechtbank volgt deze visie niet geheel, daar de moeder zelf ook aandeel heeft gehad in de situatie die is ontstaan door het maken van bepaalde keuzes in haar werk en wat heeft geleid tot haar ontslag. Dit valt dan ook niet volledig te verwijten aan de beide vaders. De moeder toont daarbij onvoldoende aan dat zij - op het moment dat duidelijk was dat beide vaders zich niet konden vinden in de verhuizing en er zelfs afspraken hierover zijn gemaakt tijdens het kort geding - gezocht heeft naar een alternatieve oplossing, bijvoorbeeld het zoeken naar nieuw inkomen of een woning in de omgeving van [plaats 1] , het aanvragen van huurtoeslag of de inschrijving bij haar moeder etc. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder daarbij ook aangegeven dat haar partner, naast zijn co-ouderschap, qua werk niet gebonden is aan [woonplaats 1] en dus eventueel ook vanuit deze regio kan werken. Een dringende noodzaak om te verhuizen naar [woonplaats 1] is daardoor onvoldoende tot niet gebleken. [plaats 1] is voor de kinderen, zeker voor [minderjarige 2] gezien zijn leeftijd, een vertrouwde omgeving, van waaruit zij zeer frequent contact hebben met hun beide vaders. Een verhuizing naar [woonplaats 1] zal het leven van de kinderen drastisch veranderen, omdat het de afstand tussen hun ouders dermate groot maakt, dat de uitvoering van de bestaande zorgregeling erg onder druk komt te staan. Naar verwachting zal deze regeling zeker op termijn niet structureel uitvoerbaar zijn. De kinderen worden belast met een intensieve lange reisafstand, waartegen zij op termijn zeker zullen gaan ageren zodra zij gaan sporten in het weekend en zij hun sociale contacten in [woonplaats 1] hebben. Naast de impact op de kinderen zal dit dus ook nadelige gevolgen hebben voor de rol van beide vaders in het dagelijks leven van en hun contact met hun kinderen. Het voorgaande leidt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat – naast het ontbreken van een noodzaak voor de verhuizing - het doorbreken van de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is en dat hun belang dient te prevaleren boven het belang van de moeder om samen te kunnen gaan wonen met haar partner in [woonplaats 1] . Het verzoek van de moeder om toestemming te krijgen voor haar verhuizing met de kinderen naar [woonplaats 1] en ingevolge daarvan de kinderen aldaar te mogen inschrijven op een basisschool dan wel kinderdagverblijf zullen daarom worden afgewezen. 4.4.7 Voorts ligt ter beoordeling voor de zelfstandige verzoeken van de beide vaders om het hoofdverblijf van de kinderen bij elk hun eigen vader te bepalen en zou eveneens een verandering van leefomgeving voor de kinderen met zich meebrengen, nu de vader van [minderjarige 1] in [woonplaats 2] woont en de vader van [minderjarige 2] in [woonplaats 3] . Dit zou inhouden dat de kinderen van elkaar gescheiden zullen opgroeien. De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om op dit punt te beslissen en acht het daarom, overeenkomstig het aanbod van de Raad, aangewezen dat de Raad gaat onderzoeken hoe het nu verder moet en wat het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk gebleken dat er veel speelt en er veel spanningen heersen tussen partijen. Om voorlopig de rust te bewaren is de rechtbank van oordeel dat de kinderen gedurende het onderzoek bij elkaar gehouden moeten worden en het hoofdverblijf bij de moeder ongewijzigd moet blijven. Dit betekent ook dat de vaststellingsovereenkomst d.d. 1 december 2025 zolang blijft gelden en strikt moet worden nagekomen. In dit kader wil de rechtbank er nog op wijzen dat zij zich verbaast en ook zorgen maakt over de enorme frequentie van de onderlinge appcontacten tussen ouders, zeker tussen de moeder en de vader van [minderjarige 1] . Uit de overlegde whatsappberichten volgt een zeer controlerende en dwingende communicatie vanuit beide vaders, hetgeen de verhouding tussen partijen niet ten goede komt en mogelijk ook belastend is voor de kinderen. De rechtbank verwacht van partijen dat zij hun verantwoordelijkheid hiervoor nemen en zich ervoor zullen inspannen om op constructieve wijze met elkaar te communiceren. De rechtbank deelt de visie van de Raad, in die zin dat partijen hier professionele hulpverlening bij nodig hebben en vraagt van de Raad ook dit mee te nemen in het onderzoek. Zoals voornoemd dienen partijen gedurende het raadsonderzoek de vaststellingsoverkomst na te komen. Er gelden strikte afspraken. De rechtbank dringt bij partijen erop aan om het dagelijkse appverkeer te stoppen en buitenom de afspraken tussentijds enkel met elkaar te communiceren indien er sprake is van een noodgeval. 4.4.8 Zoals hiervoor aangekondigd zal de rechtbank de Raad verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen: - In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van beide vaders, tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ? - Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ? - Bestaat er een noodzaak voor een kinderbeschermende maatregel? - Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden? De rechtbank zal in afwachting van het rapport en het advies van de Raad de beslissing ten aanzien van de verzoeken van de beide vaders aanhouden voor de duur van zes maanden. Zolang niet definitief is beslist op de resterende nog voorliggende geschilpunten ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling zal de rechtbank de afspraken die voor wat betreft de zorgregeling zijn gemaakt tussen partijen en zoals die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst als voorlopige zorgregeling vaststellen. Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen in de gelegenheid gesteld worden om hun standpunt kenbaar te maken ten aanzien van het door de Raad gegeven advies alsmede ten aanzien van het door hen gewenste procesverloop. Indien te zijner tijd een inhoudelijke behandeling ter zitting aangewezen is, zal de meervoudige kamer van deze rechtbank deze zaak aan zich houden en de behandeling op een nader te plannen tijdstip voortzetten. 4.4.9 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5De beslissing De rechtbank 5.1 bepaalt dat [minderjarige 2] en vader [vader 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om het weekend van vrijdagavond tot zondagavond en gedurende de eerste drie weken van de kindervakantie regio Zuid; 5.2 bepaalt dat [minderjarige 1] en vader [vader 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de even weken van donderdag tot zaterdagochtend en in de oneven weken vanaf donderdag tot zondagmiddag; daarbij zullen de moeder en vader [vader 1] in overleg treden zodat de moeder de ruimte krijgt om samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [woonplaats 1] te gaan; 5.3 verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.4 wijst de verzoeken van de moeder ten aanzien van de verhuizing en de inschrijving op een basisschool dan wel kinderdagverblijf af; 5.5 verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder r.o. 4.4.
  5. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan partijen; 5.6 houdt de verzoeken van beide vaders tot wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling aan tot 18 augustus 2026 PRO FORMA, in afwachting van de bevindingen en het advies van de Raad; 5.7 houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, (kinder)rechter tevens voorzitter, mr. De Beer en mr. Dijkman, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.