← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1206

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11903869 \ CV EXPL 25-3232 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van STICHTING THUISVESTER, te Oosterhout, eisende partij, hierna te noemen: Thuisvester, gemachtigde: GGN Brabant, tegen [huurder] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [huurder], procederend in persoon. De zaak in het kort Deze zaak gaat in de kern over de ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en de ontruiming van de door [huurder] gehuurde woning wegens een huurachterstand. De kantonrechter zal de ontbinding en ontruiming op basis van de subsidiaire vordering van Thuisvester voorwaardelijk toewijzen. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel uit. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte van Thuisvester - de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Thuisvester verhuurt met ingang van 19 maart 2019 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt per januari 2026 € 449,95 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. 2.
  4. [huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Thuisvester heeft [huurder] aangemaand op 4 juni 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. 2.
  5. Thuisvester heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Thuisvester heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering. 3Het geschil 3.
  6. Thuisvester vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (primair onvoorwaardelijk en subsidiair voorwaardelijk) en betaling van € 3.799,35 aan huurachterstand met nevenvorderingen. 3.
  7. Thuisvester legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Thuisvester de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. 3.
  8. [huurder] voert verweer. Hij erkent de huurachterstand, maar voert aan dat zijn belangen en de omstandigheden van het geval meebrengen dat de gevorderde ontbinding en ontruiming afgewezen dienen te worden. 3.
  9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  10. De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). 4.
  11. De voor de vordering relevante bedingen in artikel 15 (buitengerechtelijke kosten) en 6.1 (wettelijke rente) jo. 17.1 (boete) van de algemene voorwaarden zijn getoetst en oneerlijk bevonden. Daarom zullen deze bedingen vernietigd worden. 4.
  12. Wat betreft artikel 15 overweegt de kantonrechter als volgt. Het beding inzake buitengerechtelijke incassokosten wordt door de kantonrechter als oneerlijk aangemerkt. Dit beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van de hoofdsom – met een minimum van € 55,00 – en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de vordering uit handen wordt gegeven, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. Daarom is dit beding oneerlijk. 4.
  13. Ook artikel 17.1 en artikel 6.1 – in samenhang met artikel 17.1 – zijn naar het oordeel van de kantonrechter oneerlijk. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van de aanvullend rechtelijke bepalingen in artikel 6:92 BW. Gelet op de formulering van de artikelen 6.1 en 17.1 kunnen op grond van de algemene voorwaarden de wettelijke rente en de contractuele boete cumuleren. Dat kan tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met een hogere rente dan wettelijk is toegestaan. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW en daarmee oneerlijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen 4.
  14. Aangezien de rente en incassokostenbedingen zijn vernietigd, kan Thuisvester ook geen aanspraak maken op de wettelijke vergoedingen die zonder die bedingen van toepassing zouden zijn geweest. Daarom zal geen wettelijke rente en geen vergoeding van buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. 4.
  15. [huurder] heeft de gevorderde huurachterstand erkend. De conclusie uit het voorgaande is dat er berekend tot en met 31 december 2025 sprake is van een huurachterstand van € 3.799,
  16. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen. 4.
  17. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Thuisvester heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. 4.
  18. Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. 4.
  19. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand circa negen maanden. [huurder] heeft sinds de dagvaarding de lopende huur betaald en de huurachterstand met een maand ingelopen. Deze bedraagt op dit moment nog circa acht maanden. De huurachterstand is daarom in beginsel ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [huurder] heeft echter nog omstandigheden aangevoerd, naast de hiervoor genoemde betaling van de lopende huur en het inlopen van de huurachterstand. Zo voert [huurder] aan dat hij inkomen heeft door een baan als glasvezelmonteur. Verder wijst [huurder] erop dat hij schuldhulp heeft gezocht en inmiddels is toegelaten tot budgetbeheer door Kredietbank West-Brabant. Tot slot voert [huurder] aan dat hij geen alternatieve woonruimte heeft, zodat hij een groot belang heeft bij behoud van zijn woning. 4.
  20. Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter de primair gevorderde onvoorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst afwijzen. De subsidiair gevorderde voorwaardelijke ontbinding zal wel worden toegewezen op de hieronder weergegeven wijze. De huurovereenkomst zal worden ontbonden en [huurder] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis, indien en zodra [huurder] zich niet houdt aan minimaal één van de volgende afspraken: [huurder] blijft de lopende huur tijdig betalen; [huurder] heeft uiterlijk 1 april 2027 de volledige huurachterstand betaald aan Thuisvester. Weliswaar had Thuisvester nog een aantal andere voorwaarden gesteld, maar die neemt de kantonrechter niet over, omdat daarvoor onvoldoende aanleiding is en omdat Thuisvester daarbij onvoldoende belang heeft. Zo is van een overlastsituatie nooit sprake geweest, althans dat is geteld noch gebleken. Verder heeft Thuisvester onvoldoende belang bij het verplicht opleggen van evaluatiegesprekken, als [huurder] zich aan bovenvermelde voorwaarden houdt. 4.
  21. Thuisvester wil ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 449,95, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging is toegelaten, te rekenen vanaf de maand januari 2026 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na de (eventuele) ontbinding van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen. 4.
  22. [huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Thuisvester worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 514,00 - salaris gemachtigde € 542,00 (2 punten × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.336,45 5De beslissing De kantonrechter 5.
  23. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres], 5.
  24. veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Thuisvester zijn, en de sleutels af te geven aan Thuisvester, 5.
  25. veroordeelt [huurder] om te betalen aan Thuisvester: - € 3.799,35 aan achterstallige huur tot en met 31 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening, - € 449,95 per maand, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging is toegelaten, vanaf januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, 5.
  26. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.336,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  27. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  28. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 18 februari
  29. Artikel 6:265 BW. HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.