Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:1296
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/390 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] (Italië), belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 januari 2025. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2016 met [aanslagnummer] .
Beoordeling door de rechtbank 3. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader 4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
Ambtshalve beslissing 8. De inspecteur heeft in de brief van 14 januari 2025 het bezwaar van belanghebbende tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. Uit het beroepschrift van belanghebbende volgt dat het tevens is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Tegen deze ambtshalve beslissing moet echter als uitgangspunt eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. Dit is anders indien partijen instemmen met direct beroep (prorogatie).
Conclusie en gevolgen 10. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Voor zover het beroep is gericht tegen de ambtshalve beslissing, is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank zal de inspecteur opdragen om de daartegen aangevoerde gronden te behandelen als bezwaar. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond; verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing; en draagt de inspecteur op het beroepschrift in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3484.
Vgl. Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062, Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368.