← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1299

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2557 WW proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel, en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen een besluit van het UWV over de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). 1.
  2. Het UWV heeft in een besluit van 7 februari 2025 (primair besluit) eisers WW-aanvraag afgewezen. 1.
  3. Het UWV heeft in het bestreden besluit van 11 maart 2025 eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV werd vertegenwoordigd door [persoon] . 1.
  5. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank
  6. Eiser heeft op 3 februari 2025 een WW-aanvraag bij het UWV ingediend. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij per 2 september 2024 werkloos is geworden, nadat zijn dienstverband bij zijn ex-werkgever (hierna: [bedrijf] ), is beëindigd. Ook heeft hij in de aanvraag vermeld dat deze te laat was ingediend, omdat hij een sabbatical van vier maanden wilde nemen voordat hij startte met een nieuwe baan. 2.
  7. Niet in geschil is dat eiser niet heeft gewerkt in de maanden september tot en met december van
  8. Het eerste geschilpunt is of hij toen beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Volgens vaste rechtspraak moet dit worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook houding en gedrag van de betrokkene. Wat ook meespeelt is of iemand heeft gesolliciteerd. Dat heeft eiser niet gedaan. Het gaat er niet alleen om of eiser wel zou hebben kunnen werken – dat staat niet ter discussie – maar ook of hij dat wilde. Uit de WW-aanvraag en notities van telefoongesprekken van 6 februari en 4 maart 2025 blijkt dat eiser na afloop van zijn dienstverband bij [bedrijf] gedurende vier maanden een sabbatical wilde nemen. Daarmee heeft hij heeft aangegeven in die periode niet te willen werken. Eiser heeft ook pas na afloop van die periode een WW-uitkering aangevraagd. Daarmee was sprake van een feitelijke toestand waarin eiser niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. 2.
  9. Het beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden is één van de dwingendrechtelijk omschreven voorwaarden voor het ontstaan van een recht op uitkering. Gesteld noch gebleken is dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld en voorzien. Het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet. 2.
  10. Ook indien uit zou worden gegaan van 1 januari 2025 als eerste werkloosheidsdag (en eiser op dat moment wel beschikbaar was om arbeid te aanvaarden) leidt dat niet tot een andere uitkomst. Doordat eiser niet heeft gewerkt in de maanden september tot en met december van 2024, is op 1 januari 2025 niet voldaan aan de wekeneis. 2.
  11. Bij de wekeneis gaat het eveneens om een gebonden bevoegdheid en in dat kader is evenmin voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel. Conclusie en gevolgen 3.1 Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 3.2 Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026 door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:
  12. Zie de uitspraak van de CRvB van 27 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:471.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.