← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1307

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444045 / JE RK 26-78 Datum uitspraak: 28 januari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. van Steenberge te Terneuzen, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. S. van Steenberge te Terneuzen. 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 16 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken. 1.
  2. Op 28 januari 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het resterende deel van het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/443074 / JE RK 25-2248, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist. 1.
  3. Verschenen en gehoord zijn: - de ouders via een digitale verbinding, bijgestaan door hun advocaat; - twee vertegenwoordigsters van de GI. 1.
  4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van de hen geboden gelegenheid om hun mening te geven. 2De feiten 2.
  5. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders zijn, omdat zij zijn getrouwd, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.
  6. Bij beschikking van 14 maart 2024 zijn (onder meer) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 maart 2024 en tot 14 maart
  7. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 12 september 2025 met ingang van 14 september 2025 en tot 14 maart
  8. 2.
  9. Bij beschikking van 12 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van (onder meer) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van12 december 2025 en tot 26 december
  10. Deze machtiging is bij beschikking van 24 december 2025 verlengd met ingang van 26 december 2025 en tot 1 februari
  11. 2.
  12. Bij beschikking van 16 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 16 januari 2026 en tot 30 januari
  13. 2.
  14. Op basis van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis. 3Het verzoek 3.
  15. De Gl verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 3.
  16. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 30 januari 2026 en tot 14 maart
  17. 4De standpunten 4.
  18. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. De GI licht toe dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer in het netwerkpleeggezin konden verblijven en sinds 16 januari 2026 in een gezinshuis wonen. Het gaat goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis en er is een contactregeling opgesteld met de ouders. De GI acht een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment nog niet mogelijk. De moeder is namelijk nog niet gestart met de behandeling voor haar alcoholverslaving en daar komt bij dat er onrust blijft ontstaan in de relatie tussen ouders, waarbij sprake is van verbale agressie en vermoedelijk ook fysieke agressie. Het is van belang dat de moeder de hulpverlening voor haar verslaving aangrijpt en dat gekeken wordt hoe de relatie van de ouders voortgezet gaat worden en welke hulpverlening daarvoor ingezet moet worden. Een ander aandachtspunt is dat op korte termijn een nieuwe woning gevonden moet worden voor de ouders. Om te bepalen op welke termijn de ouders de opvoedverantwoordelijkheid weer zelf kunnen dragen is het van belang dat er zicht komt op de start van de behandeling van de moeder en op de opvoedcapaciteiten van de vader. Vanuit het gezinshuis van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat in ieder geval gestart worden met een terugthuistraject van 9 maanden. 4.
  19. De ouders begrijpen dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is verleend en staan achter toewijzing van het resterende deel van het verzoek. Hoewel zij het liefst willen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo snel als mogelijk thuis worden geplaatst, begrijpen zij ook dat de situatie daarvoor eerst moet verbeteren. Het lukt de moeder nog niet altijd om nuchter te blijven en door het faillissement van [zorginstelling] is haar behandeling nog niet gestart. Wel heeft de moeder inmiddels een eerste gesprek gehad bij Stichting Emergis en zijn verschillende vervolgafspraken gemaakt. Ook zijn de ouders voornemens om in relatietherapie te gaan. De ouders zijn blij dat er structuur wordt gebracht in de contacten met de minderjarigen en zien dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis. Verder brengen de ouders naar voren dat het lastig is dat de vader niet overal bij wordt betrokken door de GI. Er speelt namelijk veel en dat de afspraken vooral met de moeder worden gemaakt, is erg belastend voor de moeder. Het zou daarom prettig zijn als de GI voortaan ook direct met de vader communiceert. Ook zouden de ouders het prettig vinden als de GI een overzicht opstelt van alle betrokken hulpverlening. 5De nadere beoordeling Het wettelijk kader 5.
  20. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De inhoudelijke beoordeling 5.
  21. De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 januari 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend voor de duur van twee weken. Deze beslissing is genomen zonder eerst de belanghebbenden te horen. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 28 januari 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 16 januari 2026 moet worden herroepen. 5.
  22. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment nog niet kunnen terugkeren naar de thuissituatie van de ouders. De kinderrechter overweegt evenals in de beschikking van 24 december 2025 dat er al geruime tijd forse zorgen zijn over de thuissituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze zorgen zien met name op de verslavingsproblematiek van de moeder, de forse conflicten met de buurvrouw en het verbale en fysieke geweld tussen de ouders, waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meermaals aan zijn blootgesteld. Gebleken is dat deze zorgen nog niet zijn weggenomen. Door omstandigheden is de behandeling van de moeder nog niet van de grond gekomen, terwijl dit wel van groot belang is om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Evenmin zijn de zorgen over het verbale en fysieke geweld tussen de ouders weggenomen, nu is gebleken dat er nog steeds sprake is van onrust in de relatie tussen de ouders en de politie de moeder op 26 december 2025 in de woning heeft aangetroffen met een bloedneus na een overlastmelding. Hoewel de kinderrechter ziet dat de ouders hun best doen en moeilijke beslissingen nemen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is de situatie op dit moment nog onvoldoende verbeterd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug te laten keren naar de thuissituatie. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengen voor de verzochte duur, te weten tot 14 maart
  23. 5.
  24. De kinderrechter verwacht van de ouders dat zij gaan werken aan hun individuele en relationele problematiek, waarbij het met name van belang is dat de moeder de behandeling bij Stichting Emergis aangaat en dat deze behandeling wordt opgevolgd door de GI. Ook vindt de kinderrechter het van belang dat er aandacht is voor het contact tussen de ouders en de minderjarigen. Daarnaast verwacht de kinderrechter dat de vader meer betrokken zal worden door de GI en dat de GI direct met de vader zal gaan communiceren. Ook is besproken dat de GI een overzicht zal opstellen van alle betrokken hulpverlening. Uitvoerbaar bij voorraad 5.
  25. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
  26. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 30 januari 2026 en tot 14 maart 2026; 6.
  27. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door Mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari
  28. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.