← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1310

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443525 / JE RK 25-2326 Datum uitspraak: 29 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. N.A.H. Limbourg uit Breda. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 december
  2. 1.
  3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari
  4. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI, bijgestaan door advocaat mr. T. Visser. 2De feiten 2.
  5. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
  6. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 april
  7. 2.
  8. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 8 februari
  9. 2.
  10. [minderjarige] verblijft in een gezinshuis. 3Het verzoek 3.
  11. De GI verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 15 april
  12. 3.
  13. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4Het standpunt van de verzoeker 4.
  14. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI schriftelijk en mondeling aanvullend aangevoerd dat [minderjarige] in een gezinshuis woont sinds 11 april
  15. Hij kan daar, als dit nodig blijkt, blijvend opgroeien. De moeder woont sinds september 2025 in het moeder-kindhuis [zorginstelling] . Zij kan daar voor langere tijd wonen. Ook is er daar ruimte voor [minderjarige] om bij de moeder te wonen. De moeder zal begin [datum] 2026 bevallen van haar tweede zoon. Er hebben intussen meerdere begeleide bezoeken plaats gevonden waarbij er gewerkt is met een opbouw schema passend bij de draagkracht van [minderjarige] . De omgang vindt momenteel plaats met een frequentie van één maal per week. 4.
  16. Er wordt, geheel in de lijn van de vorige door de kinderrechter gegeven beschikking, toegewerkt naar een uiteindelijke plaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Gezien wordt dat de moeder daarin actief samenwerkt en dat zij liefdevol is naar [minderjarige] . Echter ziet de GI ook dat het huidige tempo, waarin dit gebeurt voor [minderjarige] te snel is. Gebleken is dat [minderjarige] na bezoekmomenten terugvalt in oud-trauma gerelateerd gedrag, zoals met zijn hoofd bonken (zichzelf pijn doen), nabijheid van de gezinshuisouder zoeken, slaan en bijten van de gezinshuisouder, gooien met speelgoed, onophoudelijk huilen en moeilijk te troosten zijn. Ook laat hij zien een ouder nodig te hebben om zijn emoties te kunnen reguleren. [minderjarige] heeft nog niet/onvoldoende kunnen werken aan zijn eigen herstel door middel van trauma therapie. Daarbij komt dat de moeder zwanger is en het onzeker is of zij de zorg voor en opvoeding van [minderjarige] in combinatie met de zorg voor haar aanstaande baby in het moeder-kind huis aan zal kunnen en hoe [minderjarige] in geval van een terugkeer naar de moeder op de komst van de baby zal reageren. Al deze factoren bij elkaar maken dat de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing minimaal voor de aldus verzochte periode in het belang van [minderjarige] noodzakelijk acht om hem de overstap naar zijn moeder veilig en verantwoord te laten maken. De GI handhaaft daarom haar verzoek. 5Het standpunt van de moeder 5.
  17. De moeder wijst naar de beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2025 waar de kinderrechter heeft overwogen dat er weinig aanleiding lijkt te zijn om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Toch is toen beslist om deze te verlengen voor de duur van vier maanden, met de opdracht dat binnen die periode dient te worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Daarnaast is door de kinderrechter overwogen dat er onvoldoende aanleiding bestaat om op dit moment al te veronderstellen dat het perspectief van [minderjarige] ergens anders ligt dan bij de moeder. De GI heeft alsnog afgezien van een hoger beroep tegen deze beschikking. 5.
  18. Vervolgens heeft de GI van de periode van vier maanden feitelijk, wegens het te laat starten met het opbouwschema, maar twee maanden effectief besteed aan het werken naar een terugplaatsing. Ook heeft de jeugdbeschermer naar de moeder toe in gesprekken uitgedragen dat zij rekening houdt met een verdere verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, dit terwijl de moeder hard aan zichzelf heeft gewerkt. Zij heeft een EMDR traject gevolgd en afgerond en er is geen sprake meer van middelengebruik. Ook verlopen de contacten tussen haar en [minderjarige] positief. Dat [minderjarige] , sinds er aan contact met zijn moeder opbouwend vorm wordt gegeven, daarop zekere reacties laat zien is niet vreemd gezien zijn achtergrond. Wel baart het de moeder zorgen dat zij merkt dat [minderjarige] zich sterk aan de gezinshuismoeder begint te hechten en wellicht nog het meest dat zij door hem ‘mama’ wordt genoemd en hij daarin niet wordt gecorrigeerd. De moeder heeft alle vertrouwen in het welslagen van een terugkeer van [minderjarige] bij haar in het moeder-kind huis, ook in combinatie met de zorg voor haar aanstaande baby. 6De beoordeling 6.
  19. De kinderrechter stelt vast dat de moeder haar uiterste best doet en dat zij nauw samenwerkt met de jeugdbescherming aan het positief vorm geven van de omgang tussen haar en [minderjarige] . Ook heeft zij individueel hard aan zichzelf gewerkt, onder meer door het volgen en afronden van een EMDR traject en door ervoor te zorgen dat er geen sprake meer is van middelengebruik. Er bestaat een verschil in inzicht tussen de GI en de moeder of [minderjarige] nu al bij de moeder geplaatst kan worden. De GI verwijst naar het gedrag van [minderjarige] bij de omgangsmomenten en de toekomstige bevalling (op of omstreeks [datum] 2026) van de moeder. De moeder geeft aan dat zij veel begeleiding heeft bij het moeder-kind huis en verwacht dat zij de zorg voor [minderjarige] aan kan, ook na haar bevalling. 6.
  20. Hoewel de kinderrechter voor een belangrijk deel de zorgen van de GI begrijpt laat dit onverlet dat als uitgangspunt onverkort gehandhaafd blijft, zoals al in de vorige beschikking is benadrukt, dat toegewerkt dient te (blijven) worden naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Wel blijkt naar het oordeel van de kinderrechter uit de aard en omvang van deze zorgen dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). De kinderrechter zal daarom beslissen overeenkomstig dit verzoek. 6.
  21. De kinderrechter wenst in dat verband te benadrukken dat de GI er samen met de moeder en de gezinshuisouders voor dient te zorgen dat binnen deze periode een verantwoorde en veilige terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder zal zijn geborgd. Dit betekent ook dat er in die periode extra dient te worden ingezet op het bevorderen van een (verdere) hechting tussen [minderjarige] en de moeder. Ook dient de GI ervoor te zorgen dat de moeder voldoende tools aangereikt krijgt om - waar dit van belang is - adequaat te kunnen reageren op zijn gedrag en emoties. Daarnaast dient de moeder ondersteuning te ontvangen bij de uitoefening c.q. verdeling van haar taken als ouder/verzorger en opvoeder van zowel [minderjarige] als van haar baby, zodra die is geboren. 6.
  22. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 7De beslissing De kinderrechter: 7.
  23. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 8 februari 2026 tot 15 april 2026; 7.
  24. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 17 februari
  25. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.