← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1316

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/02/444244 / KG 26-25 Vonnis in kort geding van 13 februari 2026 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat: mr. H. van Pelt – De Jong te Alphen aan den Rijn, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. S. Kranendonk te ‘s Gravendeel. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties; - de mondelinge behandeling op 30 januari
  2. 1.
  3. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.
  4. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast zijn verschenen twee vertegenwoordigsters namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren. 1.
  5. De voorzieningenrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzieningenrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.
  6. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  7. Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, hierna: [minderjarige] . 2.
  8. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
  9. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van [datum] is de echtscheiding uitgesproken tussen partijen en is ten aanzien van de zorgregeling, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: - de man zal, gedurende vier weken, iedere woensdag en zaterdag contact hebben met de minderjarige van 12:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de man de minderjarige ophaalt en terugbrengt in de woning van de vrouw; - na vier weken zal de man, gedurende vier weken, iedere woensdag van 12:00 uur tot 18:00 uur contact hebben met de minderjarige en iedere week van vrijdag 18:00 uur tot zaterdag 18:00 uur; - vervolgens zal de minderjarige eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur alsmede eenmaal in de veertien dagen op woensdag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij de man verblijven; in de zomervakantie van 2017 zal de man, conform de hiervoor vastgestelde zorgregeling contact hebben met de minderjarige; indien een contactmoment niet door kan gaan in verband met een vakantie van een van de ouders dienen partijen hierover nadere afspraken te maken en de gemiste contacten te compenseren; - vanaf 2018 zal de minderjarige in de zomervakantie drie weken bij de man verblijven, waarvan maximaal twee weken aaneengesloten; - de Christelijke feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld; - partijen zullen ten aanzien van de overige vakanties in onderling overleg nadere afspraken maken. 2.
  10. De minderjarige verblijft bij de vrouw. 3Het geschil 3.
  11. De man vordert in conventie dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. De vrouw veroordeelt tot nakoming van de in de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van [datum] neergelegde zorgregeling; II. De vrouw veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 voor ieder dagdeel dat zij [minderjarige] in de toekomst niet conform de geldende zorgregeling naar de man laat gaan, met een maximum van € 50.000,00, althans een door de voorzieningenrechter passend geachte dwangsom; III. Bepaalt dat [minderjarige] van 3 tot en met 5 juli 2026 bij de man zal verblijven, in plaats van 29 tot 31 mei 2026; IV. Bepaalt dat [minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen die vallen in de maanden februari tot en met augustus 2026 op de volgende momenten bij de man zal zijn: a. Op woensdag 11 maart 2026 van 8:30 uur tot 17:30 uur; b. Van 2 april 2026 17:30 uur tot 6 april 2026 17:30 uur; c. Van 24 april 2026 17:30 uur tot en met 3 mei 2026 17:30 uur; d. Van 13 mei 2026 17:30 uur tot 16 mei 2026 9:00 uur; e. Van 30 juli 2026 17:30 uur tot 15 augustus 2026 17:30 uur. Alsmede dat [minderjarige] tijdens de overige vakanties en feestdagen die vallen in de maanden februari tot en met augustus 2026, bij de vrouw zal zijn. V. Voorwaardelijk, te weten voor het geval dat [minderjarige] op dit moment geen hulpverlening ontvangt voor het loyaliteitsconflict waarin hij zich bevindt, aan de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] via zijn basisschool en/of de gemeente aan te melden bij hulpverlening waarin aandacht is voor dit loyaliteitsconflict; VI. De vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat de vrouw het bedrag van de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis aan de man dient te hebben voldaan, bij gebreke waarvan de vrouw vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling alsmede nakosten – welke € 157,00, dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 239,00 bedragen – verschuldigd wordt. 3.
  12. Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Over het algemeen zijn de afspraken uit de beschikking van [datum] in de afgelopen jaren nagekomen, maar sinds 12 januari 2026 weigert de vrouw de uitvoering van de zorgregeling. Ze stelt dat [minderjarige] slachtoffer of getuige zou zijn van geweld in huis bij de man. [minderjarige] zou dit tegen haar hebben gezegd. De man zou de kinderen slaan en met borden gooien. Er vindt echter geen geweld plaats bij de man thuis. De vrouw is in de afgelopen periode met [minderjarige] naar [woonplaats 2] verhuisd, omdat ze samen met haar nieuwe partner een huis had gekocht. De man heeft hiermee ingestemd onder de voorwaarde dat er goede afspraken gemaakt worden omtrent de zorgregeling en over het vervoer. Op 20 november 2025 heeft er een viergesprek plaatsgevonden met de ouders en hun advocaten. Hierin is de beschuldiging van geweld niet naar voren gekomen en hier hebben ouders afspraken gemaakt. De man heeft volgens afspraak een voorstel naar de vrouw gestuurd over de verdeling van de vakanties 2026 t/m 2030 en voor wijziging van de kinderalimentatie, maar de ouders komen er niet samen uit. Op 6 januari 2026 heeft de vrouw voorgesteld het omgangsmoment te wisselen in verband met de weersomstandigheden. De man vond dit goed en stelde een alternatief voor. Hier was de vrouw het niet mee eens en ze wilde ook niet naar de vaste wisselplaats in [plaats] rijden. Mede hieruit blijkt dat de vrouw steeds eenzijdige beslissingen neemt over de omgangsmomenten. De man denkt dat de vrouw niet ondersteunt dat de man een rol speelt in het leven van [minderjarige] , omdat hij niet de biologische vader is. De vrouw heeft [minderjarige] , zonder overleg, op jonge leeftijd al verteld dat de man niet zijn biologische vader is. Ook heeft de vrouw tegen [minderjarige] gezegd dat hij geen omgang hoeft te hebben met de man als hij dat niet meer wil. [minderjarige] zit hierdoor waarschijnlijk in een loyaliteitsconflict en hier maakt de man zich zorgen om. Het zou dan ook goed zijn als [minderjarige] hulpverlening ontvangt. De man is bang dat de band tussen [minderjarige] en hem verslechtert, zeker nu de omgang door de vrouw is stopgezet. Hoe langer deze omgang niet doorgaat, hoe hoger de drempel voor [minderjarige] wordt om omgang met de man te hebben. Hiernaast vindt de man het ook belangrijk dat de ouders samen hulpverlening aangaan om aan hun communicatie te werken, zodat ze uiteindelijk op een goede manier samen kunnen overleggen over [minderjarige] . 3.
  13. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. de contactregeling tussen [minderjarige] en de man zoals deze is opgenomen in de beschikking van [datum] op te schorten tot er in de bodemprocedure (anders) is beslist, dan wel tot de man en zijn partner aantoonbaar hulp hebben gezocht ten behoeve van hun emotieregulatie, dan wel gedurende een termijn door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, b. en voorwaardelijk, in geval wordt beslist dat de man spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen onder III en IV, te bepalen dat [minderjarige] : - tijdens de meivakantie van 24 april 2026 17.30 uur tot 1 mei 2026 17.30 uur bij de man verblijft en de rest van de vakantie bij de vrouw, - tijdens Hemelvaartsdag en het weekend erna (13 tot en met 16 mei 2026) bij de vrouw verblijft, zodat hij kan deelnemen aan het scoutingkamp, - tijdens de junivakantie van 5 tot en met 14 juni 2026 bij de vrouw verblijft, - tijdens de zomervakantie van 31 juli 2026 17.30 uur tot 14 augustus 2026 17.30 uur bij de man verblijft en de rest van de vakantie bij de vrouw, c. met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in conventie en reconventie. 3.
  14. Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. De vrouw herkent zich er niet in dat zij eenzijdig de omgangsregeling met enige regelmaat zou wijzigen of niet na zou komen. Op één weekend na is er bij een wijziging altijd gecompenseerd. Het klopt dat de vrouw het omgangsmoment in de week van 6 januari 2026 heeft willen wisselen door de hevige sneeuwval. De man kwam echter met een alternatief voorstel, waarbij de vrouw alsnog naar [woonplaats 1] zou moeten rijden. Dit kon niet door de sneeuwval en de vrouw heeft [minderjarige] om dezelfde reden niet naar school gebracht. Het omgangsmoment kon op een ander moment doorgaan. Het is juist de man die de omgangsmomenten met [minderjarige] laat schieten. Zo heeft hij bijvoorbeeld in 2025 en voor 2026 aan de vrouw laten weten dat hij de zorg voor [minderjarige] niet meer wenst in de voorjaars- en herfstvakantie, zodat hij die weken (door) kan werken. Ten aanzien van de zomervakantie geldt dat de vakanties in regio Midden en Zuid niet altijd meer gelijk lopen. De afspraak die ten aanzien van de zomervakantie vast ligt is dat [minderjarige] maximaal twee weken aaneengesloten bij de man is. [minderjarige] gaat in de zomervakantie altijd een week op scoutingkamp. Dit zorgt ervoor dat de vrouw maar een week aaneengesloten met [minderjarige] weg kan. Dat zou zij voor dit jaar kunnen accepteren, nu de man in de even jaren de eerste keuze heeft voor de verdeling. De vrouw merkt hierbij wel op dat als de man andere plannen heeft en bijvoorbeeld moet werken of met zijn koor weg gaat, dat het dan geen probleem voor hem is wanneer [minderjarige] minder tijd bij hem verblijft. Anders dan de man stelt, is het weekend van 9 tot en met 11 januari 2026 niet ontspannen verlopen. [minderjarige] vertelde tegen de vrouw dat [naam 1] klappen in haar gezicht kreeg. Deze keer heeft de man haar geslagen, maar het gebeurt ook weleens dat de partner van de man de kinderen knijpt of hard in de bovenarm pakt. In de zomervakantie had [minderjarige] blauwe plekken op zijn arm. De kinderen worden ook aan hun oren getrokken. [minderjarige] komt vaker met dit soort verhalen thuis. Er wordt bijvoorbeeld ook hard op tafel geslagen en naar de kinderen geschreeuwd. De verhalen van [minderjarige] zijn hierin consistent. De vrouw heeft dan ook een melding bij Veilig Thuis gemaakt. [minderjarige] is bij de man niet veilig. Hiernaast zijn partijen voor zover de vrouw weet nog in overleg over de planning van
  15. 3.
  16. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling 4.
  17. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. 4.
  18. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.
  19. Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat het onduidelijk is of er echt sprake is van een fysiek onveilige situatie bij de man thuis of van een kind dat enorm klem zit tussen de ouders en daarom deze uitspraken over de situatie bij de man doet. Er zijn tot op heden geen bewijzen van het vermeende geweld in de thuissituatie bij de man. Echter is het in beide scenario’s belangrijk dat er hulpverlening in wordt gezet voor [minderjarige] , maar er moet ook hulpverlening in worden gezet voor de ouders zodat hun communicatie wordt verbeterd. Het is belangrijk dat er tussen de ouders afspraken worden gemaakt over hoe [minderjarige] op een veilige manier de omgang met de man kan hervatten in afwachting van de hulpverlening. Dit is in ieder geval in het belang van [minderjarige] . Overeenstemming 4.
  20. Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt en zijn zij het er over eens geworden dat zij als ouders hulpverlening nodig hebben in hun communicatie, maar ook dat er zo snel mogelijk contactherstel dient plaats te vinden tussen de man en [minderjarige] , waardoor de zorgregeling uiteindelijk kan worden hervat. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt: - op 4 februari 2026 is er geen omgang tussen de man en [minderjarige] ; - op 6 februari 2026 gaan partijen samen met [minderjarige] zitten op een neutrale plek om met hem te bespreken dat de problemen die spelen tussen de ouders, door de ouders samen met hulpverlening, zullen worden opgelost. Ook wordt hierbij benoemd dat dit niet het probleem is van [minderjarige] . Hiernaast zal worden besproken dat er bij allebei de ouders geen geweld plaatsvindt en dat er niet wordt geschreeuwd, geslagen of geknepen. Ook zullen de ouders met [minderjarige] bespreken dat hij aangemeld wordt voor hulpverlening, zodat hij een plek heeft waar hij zijn verhaal kwijt kan. Daarnaast zal worden besproken dat de man en [minderjarige] op woensdag samen leuke dingen zullen gaan doen en dat hij één keer in de maand op woensdag, als hij bij de man is, met vriendjes kan afspreken als hij dit wil; - van 6 op 7 februari 2026 verblijft [minderjarige] bij de man. Hij gaat op 7 februari vanuit de man naar de scouting. Vanaf dit moment wordt de reguliere zorgregeling hervat, met in aanmerking genomen het hiervoor vermelde over de afspraken ten aanzien van de woensdagen bij de man; - de ouders melden zich aan bij het CJG voor gezamenlijke hulpverlening en voor hulpverlening voor [minderjarige] . Verder zijn er de volgende afspraken gemaakt voor 2026, namelijk: - [minderjarige] verblijft bij de man op biddag op 11 maart van 8:30 uur tot 17:30 uur; - [minderjarige] verblijft bij de man van 2 april 17:30 uur tot 6 april 17:30 uur; - [minderjarige] verblijft in de meivakantie bij de man van 24 april 17:30 uur tot 3 mei 17:30 uur; - [minderjarige] gaat met Hemelvaart naar scoutingkamp. Dit weekend wordt op een nader te bepalen moment ingehaald; - [minderjarige] verblijft bij de vrouw in de junivakantie van 5 juni tot en met 14 juni; - [minderjarige] verblijft bij de man van 3 tot en met 5 juli (in plaats van 29 mei tot en met 30 mei); - [minderjarige] verblijft in de zomervakantie van 30 juli 17:30 uur tot 14 augustus 17:30 uur bij de man. De overige tijd in de vakantie verblijft hij bij de vrouw; - de overdracht vindt plaats op de vaste wisselplaats bij [naam 2] in [plaats] , tenzij de ouders samen iets anders afspreken. De voorzieningenrechter zal partijen veroordelen tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken en het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie afwijzen. Proceskosten 4.5 De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man en de vrouw om de ander in de kosten van deze procedure te veroordelen afwijzen. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
  21. veroordeelt partijen tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken, zoals vermeld onder rechtsoverweging 4.4.; 5.
  22. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  23. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.
  24. wijst het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie af. Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 in tegenwoordigheid van drs. Swint griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.