← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1317

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/443484 / FA RK 25-6735 datum uitspraak: 30 januari 2026 beschikking over een provisionele voorziening in de zaak van [oma moederszijde] , hierna: de oma moederszijde, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof in ‘s Heer Arendskerke, tegen STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna: de GI, gevestigd in Middelburg, over de minderjarige: - [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, over het verzoek in kennis gesteld. Informanten in deze procedure zijn: [de moeder] , hierna: de moeder, wonende in [woonplaats 2] , [de vader] , hierna: de vader, wonende in [woonplaats 3] . 1Het procesverloop 1.1 In het dossier zit het volgende stuk: - het op 29 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen. 1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op 30 januari

  1. Bij die behandeling zijn gekomen oma moederszijde met haar advocaat. Ook was er een vertegenwoordigster aanwezig namens de GI en waren er twee vertegenwoordigsters aanwezig namens de Raad. Opgeroepen, maar niet verschenen zijn de vader en de moeder. 2De feiten 2.1 Uit de relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren. Verzoekster [verzoekster] is de moeder van [de moeder] en dus de oma van [minderjarige] . 2.2 Bij beschikking van 30 mei 2023 heeft de rechtbank de toen nog ongeboren [minderjarige] onder voogdij van de GI geplaatst, omdat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] minderjarig zou zijn en mitsdien onbevoegd zou zijn tot het gezag. Sedertdien voert de GI de voogdij over [minderjarige] uit. 2.3 [minderjarige] verblijft bij een pleeggezin. 2.4 Op 29 december 2025 heeft de oma moederszijde, gelijktijdig met het indienen van het thans voorliggende verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening, een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij verzoekt een zorgregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen. De bodemprocedure is geregistreerd onder nummer C/02/443481 FA RK 25-
  2. 3Het verzoek 3.1 Oma moederszijde verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige zorgregeling vast te stellen zoals verwoord in punt 11 van het verzoekschrift, althans een andere zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank die in het belang van [minderjarige] voorkomt. 3.2 De GI is het niet eens met het verzoek van de oma moederszijde en verzoekt dit verzoek af te wijzen. 4De beoordeling 4.1 De rechtbank zal de oma moederszijde niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om een provisionele voorziening te treffen en hierna uitleggen waarom. 4.2 De oma moederszijde vraagt om een spoedmaatregel voor de duur van de procedure, ook wel een ‘provisionele voorziening’ genoemd (artikel 223 Rv). De rechtbank kan alleen een provisionele voorziening treffen als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten. Eén van die vereisten is dat van de oma moederszijde niet gevergd kan worden om een beslissing in de bodemprocedure af te wachten. De rechtbank is van oordeel dat niet aan dit vereiste wordt voldaan. 4.3 De oma moederszijde stelt dat [minderjarige] , die [geboortedag] 2023 is geboren, en de moeder een tijdje bij oma moederszijde hebben gewoond en dat de oma een groot deel van de zorgtaken van [minderjarige] op zich heeft genomen. Er is een hechtingsrelatie ontstaan en het is belangrijk dat dit stand houdt. Echter in augustus 2023 is [minderjarige] (in het begin samen met de moeder) naar een gezinshuis gegaan en sinds eind 2023 verblijft [minderjarige] in een pleeggezin. De oma moederszijde heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat sinds de uithuisplaatsing van de moeder en [minderjarige] er af en aan contact is geweest tussen de oma moederszijde en [minderjarige] . Hieruit maakt de rechtbank op dat er inmiddels al ruim twee jaar geen sprake is geweest van structureel contact tussen de oma moederszijde en [minderjarige] . Op de vraag of de oma moederszijde en [minderjarige] momenteel contact hebben, heeft de oma moederszijde verteld dat ze [minderjarige] al meer dan een jaar niet heeft gezien. De rechtbank stelt dan ook vast dat er momenteel geen sprake is van een recent verbroken structureel contact dat onmiddellijk handelen vereist. De rechtbank acht de wens van de oma moederszijde om zo snel mogelijk weer contact met haar kleindochter te hebben begrijpelijk, maar dat maakt niet dat het belang bij de gevraagde voorziening zo dringend is dat van de oma moederszijde niet kan worden gevergd dat zij de bodemprocedure afwacht. Dat de wachttijden voor de behandeling van de bodemprocedure lang zijn, maakt dit niet anders omdat dit alle procedures treft en niet alleen die van de oma. De rechtbank zal gezien het bovenstaande de oma moederszijde niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. Er wordt dan ook niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling. 5De beslissing De rechtbank 5.1 verklaart de oma moederszijde niet-ontvankelijk in haar verzoek. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier, en op schrift gesteld op 16 februari
  3. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.