RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11162 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober
- 1.
- De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 11.506 aan verschuldigde Bpm. 1.
- De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank Naheffingsaanslag
- Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt. Afgesproken is dat de naheffingsaanslag Bpm met € 2.500 wordt verminderd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en het beroep gegrond verklaren. Immateriële schadevergoeding
- Belanghebbende heeft op 27 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 3.
- De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 25 februari
- De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 14 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.
- 3.
- Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang komt € 428,57 (4/14e) voor de rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.071,43) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag Bpm met € 2.500 tot € 9.
- Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. 4.
- De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van €
- In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van €
- De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.
- Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 9.006; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 428,57; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.071,43; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.