RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers : C/02/444228 / JE RK 26-114 (spoed) : C/02/444231 / JE RK 26-116 (regulier) Datum uitspraak: 2 februari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI, over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat: Z. Yeral te Roosendaal. De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [minderjarige] , voornoemd, [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. F. Pool te Rotterdam. De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1Het verdere procesverloop 1.
- Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken: de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken; het bericht van de GI van 30 januari
- 1.
- Op 2 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: [minderjarige] en haar advocaat, die eerst apart met de kinderrechter hebben gesproken; de moeder en haar advocaat; de vader; twee vertegenwoordigers van de GI; een vertegenwoordigster van de Raad. 1.
- De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad in de zaak met kenmerk C/02/444440 FA RK 26-450 en het verzoek van de GI met kenmerk C/02/444490 JE RK 26-
- In deze zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven. 2De feiten 2.
- De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 november 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 14 december
- Daarnaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder zonder gezag, te weten bij de vader, dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 14 december
- 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 december 2025 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 februari
- Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is afgewezen. 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 december 2025 is met spoed, oftewel zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 31 december
- 2.
- Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 december 2025 is voormelde machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 28 februari
- 2.
- Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 21 januari 2026 heeft de kinderrechter (zonder het horen van de belanghebbenden) voor [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 januari 2026 tot 4 februari 2026 onder aanhouding van het overige deel van de verzoeken. 3De verzoeken De volgende verzoeken liggen nog ter beoordeling voor. C/02/444228 / JE RK 26-114 (spoed) 3.
- Het resterende deel van het verzoek van de GI om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van vier weken. C/02/444231 / JE RK 26-116 (regulier) 3.
- Het resterende deel van het verzoek van de GI om aansluitend een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (naar de kinderrechter begrijpt: voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] ). 4Het standpunt van de GI 4.
- Namens de GI wordt aangevoerd dat er grote zorgen zijn over zowel de fysieke als emotionele veiligheid van [minderjarige] . Zij groeit op in een gezin waar al jarenlang ernstige zorgen bestaan over haar veiligheid en ontwikkeling. Deze zorgen zijn structureel en terugkerend ondanks meerdere interventies in het verleden. [minderjarige] vertoont zowel externaliserend gedrag (opstandig, agressief, weglopen) als internaliserend gedrag (angst, somberheid, vermoeidheid). De relatie met de moeder is ernstig verstoord. De moeder legt de verantwoordelijkheid bij [minderjarige] , toont weinig pedagogische sensitiviteit en weigert structurele hulpverlening in huis. Sinds 30 november 2025 staat [minderjarige] opnieuw voorlopig onder toezicht van de GI. Op deze datum heeft zich een crisis voorgedaan waarbij er een escalatie ontstond tussen de moeder en de twee broers van [minderjarige] . De moeder heeft hierbij een mes gepakt, waarna de kinderen naar buiten zijn gevlucht. Nadat de politie en het Crisisinterventieteam (CIT) zijn ingeschakeld heeft de moeder in het bijzijn van de politie een batterij ingeslikt, waarna zij met spoed naar het ziekenhuis is gebracht. Er is een spoedmachtiging uithuisplaatsing uitgesproken voor [minderjarige] en haar broers, maar [minderjarige] wilde bij haar moeder blijven. In december 2025 zijn de zorgen verder toegenomen. De moeder heeft in twee weken tijd vier suïcidepogingen gedaan en heeft gedreigd brand te stichten. Zij werd op 17 december 2025 door de politie overgebracht naar een GGZ-instelling, waardoor [minderjarige] alleen thuis bleef. Zij gaf aan dat zij graag elders wilde verblijven omdat het thuis niet gezellig is en zij zich grote zorgen maakte om haar moeder. De moeder liet via Whatsapp weten dat zij niet meer voor [minderjarige] kan zorgen en instemt met een plaatsing elders. Op 17 december 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De moeder blijft [minderjarige] belasten met haar zelfbeschadigend gedrag en blijft berichten sturen. Tevens stuurt de moeder dreigende berichten naar de betrokken jeugdbeschermers. Op 12 januari 2026 is [minderjarige] weggelopen van de groep en heeft zij actief contact gezocht met haar moeder. Op 14 januari 2026 is de situatie opnieuw ernstig geëscaleerd. De politie is ter plaatse gegaan omdat [minderjarige] bij haar moeder was. De moeder slikte opnieuw een batterij in en zwaaide met een vleesmes. De politie heeft moeten ingrijpen en [minderjarige] werd naar het politiebureau in Roosendaal gebracht. Het bureau moest tijdelijk worden gesloten vanwege veiligheidsrisico omdat de moeder en haar meerderjarige zoon ook naar het bureau kwamen en dreigende signalen afgaven. [minderjarige] is onder begeleiding van extra politie-eenheden teruggebracht naar de [groep] . De politie omschreef dit als een geweldsspiraal die steeds verder toeneemt en gaf aan dat zij niet langer ingrijpen zonder een duidelijk behandelplan of gesloten plaatsing voor [minderjarige] . Het incident van 14 januari toont aan dat de situatie thuis extreem onveilig is. Een gesloten plaatsing is noodzakelijk om [minderjarige] te beschermen en haar veiligheid te waarborgen. [minderjarige] vertoont zorgwekkend gedrag, slechte hygiëne, weigert afspraken na te komen en laat wisselende stemmingen zien. Zij voelt zich verantwoordelijk voor haar moeder. Dit belemmert haar ontwikkeling en vergroot de kans op terugval naar een onveilige situatie. Door haar grote loyaliteit aan haar moeder is zij niet in staat om beslissingen in haar eigen belang te maken. Op 20 januari 2026 is [minderjarige] opnieuw weggelopen van de groep. Zij wil niet terugkeren. Er zijn sterke vermoedens dat zij wederom bij haar moeder verblijft. Om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen is een gesloten plaatsing nodig. 4.
- Bij bericht van 30 januari 2026 heeft de GI de rechtbank laten weten dat [minderjarige] wederom is weggelopen. Er heeft dan ook geen gesprek met de gedragswetenschapper kunnen plaatsvinden. 4.
- Tijdens de zitting van 2 februari 2026 heeft de GI aangegeven dat de gesloten plaatsing van [minderjarige] helaas nog niet is geëffectueerd. Er is binnen Nederland geen enkele plek beschikbaar in het gesloten kader. Desondanks handhaaft de GI het verzoek tot gesloten plaatsing, zodat [minderjarige] op de wachtlijst blijft staan. Zodra er een plekje beschikbaar is, kan zij dan geplaatst worden. De GI meent dat een gesloten plaatsing de enige manier is om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te begrenzen. De veiligheid van [minderjarige] kan op geen enkele andere manier worden gewaarborgd. 5Het standpunt van de belanghebbenden 5.
- Door en namens de moeder is, samengevat, aangegeven dat er geen grond is voor een gesloten plaatsing van [minderjarige] . Allereerst is er niet voldaan aan de formele vereisten omdat [minderjarige] niet met een gedragswetenschapper over het verzoek heeft gesproken. Daarnaast is niet duidelijk welke behandeling [minderjarige] zou moeten krijgen binnen een gesloten setting. Bovendien is er niet eens een plaats beschikbaar. De moeder meent dat zij steeds handelt in het belang van [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat zij bij haar moeder kan blijven wonen en daar haar opleiding tot hondentrimster kan afmaken. Daarnaast kan zij dan haar baantje behouden en kan zij de zorg voor haar paard op zich blijven nemen. De band tussen [minderjarige] en haar moeder is erg hecht. Het is belangrijk dat deze in stand blijft. Een gesloten plaatsing zou meer schade voor [minderjarige] veroorzaken dan goed doen. Namens de moeder wordt verzocht de resterende verzoeken af te wijzen. 5.
- Namens de vader wordt aangevoerd dat hij het lastig vindt om zich mening te vormen over de verzoeken van de GI. Hij heeft er te weinig zicht op wat een gesloten machtiging voor [minderjarige] zou betekenen. Zijn relatie met [minderjarige] is vrij oppervlakkig en zij hebben weinig contact. Wanneer [minderjarige] bij hem zou willen wonen dan zou er eerst gewerkt moeten worden aan het verbeteren van hun relatie. 5.
- [minderjarige] heeft bij de kinderrechter, samengevat, aangegeven dat een gesloten plaatsing volgens haar niets oplevert. Voor [minderjarige] is haar paard het allerbelangrijkste in haar leven. Zij wil bij haar moeder blijven wonen, zodat zij voor haar paard kan blijven zorgen en haar opleiding en baantje kan voortzetten. In de toekomst wil zij graag bij de politie gaan werken. Zij meent dat haar ervaringen haar daar goed van pas kunnen komen. 5.
- Mr. Yeral heeft namens [minderjarige] verzocht de verzoeken af te wijzen. Hij meent dat een gesloten plaatsing niet in het belang van [minderjarige] is. Daarbij komt dat een eventuele beslissing tot een gesloten plaatsing niet ten uitvoer kan worden gelegd omdat er geen beschikbare plek is. Een toewijzing van de verzoeken heeft daardoor geen meerwaarde en zou slechts onnodige stress en angst veroorzaken. Het wegloopgedrag dat [minderjarige] vertoont wijst erop dat zij trauma’s heeft opgelopen door eerdere uithuisplaatsingen. 5.
- De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven achter de verzoeken tot gesloten plaatsing van [minderjarige] te staan. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij tegen haar moeder wordt beschermd, zowel fysiek als emotioneel. De Raad onderschrijft de noodzaak om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te verbreken, zodat [minderjarige] aan haar eigen ontwikkeling kan gaan werken. Een gesloten machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] is in de ogen van de Raad noodzakelijk. De Raad is er evenals de GI een voorstander van dat de gesloten machtiging nu wordt verleend zodat [minderjarige] op een wachtlijst wordt geplaatst, zodat zij meteen kan worden geplaatst zodra er een plaats beschikbaar is. 6De beoordeling Wettelijk kader 6.
- In artikel 6.1.
- van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren; b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen. 6.
- In artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet staat dat de kinderrechter, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, een spoedmachtiging kan verlenen. Dan moet onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk zijn. In beide gevallen, spoed of geen spoed, is een instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper nodig die de jeugdige met het oog op die instemming kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is. Een machtiging kan worden verleend als de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige instemt met de opneming en het verblijf. C/02/444228 / JE RK 26-114 (spoed) 6.
- Bij voornoemde beschikking van 21 januari 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden. Tijdens de zitting van 2 februari 2026 zijn de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan is naar de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dit betekent dat de spoedbeslissing op goede gronden is genomen. 6.
- Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is gesproken blijkt dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] . Zij wordt belast met ernstige problemen waardoor zij in haar ontwikkeling wordt belemmerd. [minderjarige] vertoont zorgwekkend gedrag, slechte hygiëne, weigert afspraken na te komen en laat wisselende stemmingen zien. Zij wordt ernstig belast door het (zelfbeschadigende) gedrag van haar moeder. [minderjarige] is extreem loyaal aan haar moeder en voelt zich verantwoordelijk voor haar. Dit belemmert haar ontwikkeling en vergroot de kans op terugval naar een onveilige situatie. 6.
- [minderjarige] staat niet open voor hulpverlening in een open setting en loopt hier steeds weg, terug naar haar moeder. Daarmee biedt dit onvoldoende bescherming. De kinderrechter is van oordeel dat het voor [minderjarige] nodig is dat zij zich kan losmaken van de invloed van haar moeder. Zij heeft structuur nodig om te kunnen werken aan haar ontwikkeling. Dit kan alleen in een gesloten setting. Er zijn op dit moment geen minder ingrijpende alternatieven om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp daarom toewijzen voor de resterende duur van twee weken, met ingang van 4 februari 2026 tot en met 18 februari
- C/02/444231 / JE RK 26-116 (regulier) 6.
- De GI heeft verzocht om een aansluitende machtiging voor gesloten jeugdhulp. 6.
- Uit artikel 6.1.2, vijfde lid, Jeugdwet volgt dat het verzoek de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper behoeft die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Tot op heden is de gedragswetenschapper niet in de gelegenheid geweest [minderjarige] te spreken. De kinderrechter wenst dat dit in de resterende periode alsnog gebeurt. Hij verzoekt [minderjarige] met klem om zich hiervoor open te stellen. 6.
- De kinderrechter zal het reguliere verzoek om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen aanhouden tot de hierna te noemen zitting. 6.
- De kinderrechter verzoekt aan de GI om voorafgaand aan de volgende mondelinge behandeling een schriftelijke (instemmende) verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper over te leggen waaruit blijkt dat hij [minderjarige] feitelijk heeft onderzocht. 6.
- Dit leidt tot de volgende beslissing. 7De beslissing De kinderrechter: C/02/444228 / JE RK 26-114 (spoed) 7.
- wijst het resterende deel van het verzoek tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp toe, te weten met ingang van 4 februari 2026 tot 18 februari 2026; C/02/444231 / JE RK 26-116 (regulier) 7.
- houdt de beslissing om een aansluitende (reguliere) machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] bij mr. Van Leuven, te houden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10, 4815 GW in Breda; 7.
- bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor [minderjarige] , haar advocaat mr. Z. Yeral, de moeder en haar advocaat mr. F. Pool, de GI en de Raad; 7.
- bepaalt dat de vader, omdat hij als informant in deze zaak geen afschrift van deze beschikking krijgen, per aparte brief worden opgeroepen voor de zitting. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 februari
- Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.