← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1409

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444440 / FA RK 26-450 Datum uitspraak: 2 februari 2026 Nadere beschikking over de voorlopige voogdij in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland–West-Brabant, Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] , advocaat mr. Z. Yeral, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2011 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 3] . De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. F. Pool te Rotterdam, de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI. De rechtbank merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . 1Het verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank neemt mee in de beoordeling: - de in deze zaak gegeven beschikking van 27 januari 2026, en de daarin vermelde stukken; het stelbericht van mr. Pool van 29 januari 2026; het gewijzigde, aanvullende verzoek van de Raad van 30 januari 2026; het stelbericht van mr. Yeral van 2 februari
  2. 1.
  3. Op 2 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak op zitting behandeld met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: - de moeder en haar advocaat; - de vader; - een vertegenwoordiger van de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.
  4. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben op 2 februari 2026 voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter om hun mening te geven. Ook [minderjarige 1] heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek met de kinderrechter gehad in aanwezigheid van advocaat mr. Z. Yeral. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.
  5. Het verzoek is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de GI met de kenmerken C/02/444228 JE RK 26-114, C/02/444231 JE RK 26-116 en C/02/444490 JE RK 26-
  6. In deze zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven. 2De feiten 2.1 De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. 2.2 De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2025 de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld tot 28 februari
  7. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] verleend bij de andere ouder zonder gezag, dan wel in een accommodatie voor jeugdhulpverlening, met ingang van 14 december 2025 tot 28 februari
  8. 2.
  9. Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 3] en [minderjarige 2] bij de vader. [minderjarige 1] verblijft bij de moeder. 2.
  10. Bij beschikking van 21 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 4 februari
  11. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 2 februari
  12. 2.5 Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 27 januari 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de Raad om met spoed een beslissing te geven over de voorlopige voogdij afgewezen, voor zover het het spoedkarakter betreft. De kinderrechter heeft de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot de zitting van 2 februari
  13. 3Het verzoek 3.
  14. Aan de orde is thans nog het resterende deel van het verzoek van de Raad om de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij aanvullend verzoek heeft de Raad subsidiair verzocht om een schorsing in de uitoefening van het gezag. 4De standpunten 4.
  15. De Raad heeft tijdens de zitting het primaire en subsidiaire verzoek gehandhaafd. Er wordt verwezen naar hetgeen reeds is aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek. Er is sprake van forse zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen. De moeder geeft ter zitting aan dat zij overal aan mee wil werken en het belang van de kinderen voor ogen heeft, maar het dossier laat een heel ander beeld zien. Er is een jarenlang patroon zichtbaar waarin de moeder weigert om mee te werken met de hulpverlening. Zij weigert haar toestemming te geven en staat niet in contact met de GI of andere hulpverlening. De zorgen om de kinderen blijven toenemen. De Raad meent dat het ontnemen van het gezag van de moeder de enige manier is om een verdere bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen af te wenden. 4.
  16. De GI onderschrijft het verzoek van de Raad en is bereid om de voogdij over de kinderen op zich te nemen. De GI is al jaren bekend met het gezin. Er wordt geconstateerd dat de moeder van alles belooft, maar dat het al die tijd nog nooit is gelukt om ook maar enige vorm van hulpverlening op gang te krijgen. De jeugdzorgwerker mag zelfs niet bij de moeder in huis komen. De thuissituatie van de kinderen is zeer onveilig. Het is in het belang van de kinderen dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. De GI heeft in de zaak met kenmerk C/02/444228 JE RK 26-114 en C/02/444231 JE RK 26-116 voor [minderjarige 1] een machtiging verzocht tot een gesloten plaatsing omdat zij geen andere mogelijkheid ziet om de relatie tussen [minderjarige 1] en haar moeder te verbeteren. De GI geeft aan dat de zorg voor het paard van [minderjarige 1] voor de GI geen prioriteit heeft. Zij is zich ervan bewust dat het paard voor [minderjarige 1] belangrijk is, maar de GI heeft hier geen financiële middelen voor. Wel is de GI bereid om te kijken wat zij hierin kan betekenen, eventueel in overleg met de gemeente. 4.
  17. Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat zij zich verzet tegen het verzoek van de Raad. De moeder stelt zeer goed in staat te zijn het gezag over de kinderen uit te oefenen. Zij betwist dat zij geld van de rekening van de kinderen heeft gehaald. Als zij al geld van hun rekening heeft gehaald dan is dit voor kosten die zij voor hen heeft gemaakt, bijvoorbeeld voor de kosten van het stallen van het paard van [minderjarige 1] . De moeder meent dat er geen gronden zijn om haar het gezag te ontnemen. Zij heeft de afgelopen tijd veel aan haar hoofd gehad, onder andere vanwege haar meerderjarige verslaafde zoon. Deze is recent uitgeschreven op het adres van de moeder, zodat de situatie inmiddels is veranderd. De moeder heeft er vrede mee dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nu bij hun vader verblijven. Zij zal toestemming geven voor alles wat nodig is voor de kinderen. Namens de moeder wordt verzocht het verzoek van de Raad af te wijzen, zowel het primaire als het subsidiaire verzoek. Een dergelijke vergaande maatregel is niet in het belang van de kinderen. Zeker niet gelet op het feit dat [minderjarige 1] al bijna 17 jaar is. Een wijziging in het gezag zal voor haar meer kapot maken dan goed doen. Ten aanzien van het paard van [minderjarige 1] geeft de moeder aan dat zij met [minderjarige 1] destijds heeft afgesproken dat zij de helft van de kosten van het paard voor haar rekening zou nemen. [minderjarige 1] zou zelf de andere helft betalen en is daarvoor gaan werken bij de [winkel] . De moeder geeft aan dat zij, ongeacht de uitkomst van deze procedure, bereid is om zich aan deze afspraak te houden en de helft van de kosten voor het paard te blijven voldoen. Zij weet dat het paard voor [minderjarige 1] heel belangrijk is. 4.
  18. De vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nu drie maanden bij hem wonen. Met [minderjarige 3] gaat het goed, maar voor [minderjarige 2] is het belangrijk dat er school of dagbesteding op gang komt. De vader krijgt dit niet geregeld omdat hij geen gezag over de kinderen heeft. De vader geeft aan dat zijn band met [minderjarige 1] oppervlakkig is. Hij heeft het idee dat zij geen contact met hem wil. Zij wil niet bij hem wonen. Hij vermoedt dat dit ook te maken heeft met het paard van [minderjarige 1] . De vader heeft geen financiële middelen om hier aan bij te dragen. 4.
  19. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben bij de kinderrechter aangegeven dat zij het fijn vinden dat zij nu bij hun vader wonen. Zij hebben geen contact meer met hun moeder en willen dit ook niet meer. Zij geven aan dat hun moeder met haar gedragingen heeft laten zien dat zij niet in staat is om voor zichzelf te wonen, laat staan dat zij voor kinderen kan zorgen. Zij willen dan ook niet meer dat hun moeder nog beslissingen over hen kan nemen. 4.
  20. [minderjarige 1] heeft in het gesprek bij de kinderrechter aangegeven dat zij graag bij haar moeder wil wonen. Zij kan dan haar opleiding en haar baantje weer oppakken en zij kan dan weer voor haar paard zorgen. Zij heeft aangegeven dat haar paard het allerbelangrijkste voor haar is. 5De beoordeling Wettelijk kader 5.1 De kinderrechter kan ingevolge artikel 1:241, eerste, tweede en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de Raad een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij over een minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen. De maatregel vervalt na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. 5.
  21. Ingevolge artikel 266, eerste lid BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 5.
  22. Op grond van artikel 268, eerste lid BW kan de rechtbank een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen indien: a. een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 266, eerste lid, aanhef en onder a of b is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Het derde lid van artikel 268 BW bepaalt dat, indien de schorsing beide ouders of een ouder die alleen het gezag uitoefent betreft, de rechtbank een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, met de voorlopige voogdij over de minderjarige belast. Ingevolge het vijfde lid van artikel 268 BW vervalt de schorsing in de uitoefening van het gezag na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn beëindiging van het gezag is verzocht. Oordeel rechtbank 5.
  23. De rechtbank is van oordeel dat niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden als vermeld in artikel 1:241 BW voor voorlopige voogdij. Nu de moeder het wettelijk gezag over de kinderen uitoefent is er geen sprake van een situatie waarin er sprake is van een gezagsvacuüm. Om die reden wijst de rechtbank het primair verzoek van de Raad af. 5.
  24. Dit geldt evenwel niet voor het subsidiair verzoek tot schorsing van de voogdij van de moeder. Met de GI en de Raad is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een situatie waarin een schorsing van het gezag noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de kinderen weg te nemen. De rechtbank baseert zich hiervoor op hetgeen de Raad aan inhoudelijke onderbouwing schriftelijk heeft ingediend, hetgeen de Raad en de GI ter zitting naar voren hebben gebracht en tenslotte op het gesprek dat de kinderrechter met de kinderen heeft gevoerd. Uit alles blijkt dat de moeder niet in staat is om voor de kinderen te zorgen en op een juiste wijze haar gezag over de kinderen uit te oefenen. De rechtbank vermoedt dat er bij de moeder eerder sprake is van onmacht dan van onwil. Het belang van de kinderen staat voor de rechtbank voorop. Dit belang vraagt om een onmiddellijk ingrijpen in het gezag. De rechtbank wijst daarom het subsidiair verzoek van de Raad toe en schorst de moeder in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . 5.
  25. Omdat met de schorsing van het gezag van de moeder er niemand meer is om gezagsbeslissingen over de kinderen te kunnen nemen, zal de rechtbank de GI belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De GI heeft zich bereid verklaard deze voogdij op zich te nemen. 5.
  26. Gelet op artikel 1:268 lid 5 BW vervalt de schorsing in de uitoefening van het gezag na drie maanden, in dit geval op 2 mei 2026, tenzij vóór die datum aan de rechter een beëindiging van het gezag van de moeder is verzocht. In dat geval loopt de schorsing van het gezag door totdat op het verzoek tot gezagsbeëindiging is beslist. Extra overweging ten aanzien van het paard van [minderjarige 1] 5.
  27. De rechtbank wil nog een extra overweging wijden aan de kwestie van het paard van [minderjarige 1] . Zowel uit de stukken als uit de gesprekken tijdens de zitting blijkt dat haar paard erg belangrijk is voor [minderjarige 1] . Alle volwassenen rondom [minderjarige 1] zijn hiervan op de hoogte. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat, ongeacht de uitkomst van deze procedure, zij bereid is om de helft van de kosten van het paard van [minderjarige 1] te blijven voldoen. De rechtbank rekent erop dat de moeder zich hier aan zal houden. Uitvoerbaar bij voorraad 5.
  28. De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel en het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. 5.
  29. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De rechtbank: 6.
  30. schorst [de moeder] , geboren op [geboortedag 4] 1978 te [geboorteplaats 2] in de uitoefening van het gezag over: [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats 1] ; [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2011 te [geboorteplaats 1] ; met ingang van heden tot 2 mei 2026; 6.
  31. bepaalt dat de schorsing ook na 2 mei 2026 doorloopt wanneer voor die datum bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. De schorsing loopt dan door totdat op dit verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist; 6.
  32. belast Stichting Jeugdbescherming Brabant met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ; 6.
  33. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari
  34. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.