RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/360 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats], eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes, het college. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op de verzoeken van 10 oktober 2025 en 7 november 2025 op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.
- Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk?
- Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt namelijk vast dat het college heeft beslist binnen de termijn van vier weken die geldt in het kader van de Woo. Uit de stukken in het dossier blijkt dat het college op 28 oktober 2025 een besluit heeft genomen op het verzoek van 10 oktober
- Ook heeft het college op 26 november 2025 een besluit genomen op het verzoek van 7 november
- 3.
- Eisers stellen dat deze besluiten niet voldoen aan de eisen van de Woo en de Awb, omdat ze niet volledig en deugdelijk zijn. Volgens eisers is geen volledige of controleerbare zoekslag inzichtelijk gemaakt, is niet op alle onderdelen van hun verzoek beslist, ontbreken essentiële documenten en is geen besluit genomen op het herzieningsverzoek dat is ingediend naar aanleiding van de onvolledige afhandeling. 3.
- De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van deze stellingen van eisers, dat er niet aan afdoet dat sprake is van besluiten in de zin van de Awb op de Woo-verzoeken van eisers. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. 3.
- De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift en de overige stukken dat eisers het niet eens zijn met de door het college genomen besluiten. Daarvoor is de bezwaarprocedure bedoeld. Aangezien de inhoudelijke standpunten van partijen nog onvoldoende zijn uitgesproken, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 28 oktober 2025 en 26 november 2025 te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar. 3.
- Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift als bezwaarschrift zal doorzenden aan het college onder gelijktijdige mededeling hiervan aan eisers. Aangezien het college het beroepschrift inmiddels in bezit heeft, zal de rechtbank dit niet opnieuw toesturen en volstaat zij met deze mededeling. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Het college heeft de beslistermijn niet overschreden. Daarom kan de rechtbank geen beslistermijn opleggen en hoeft het college geen dwangsom aan eisers te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk; verwijst het beroep gericht tegen de besluiten van 28 oktober 2025 en 7 november 2025 naar het college ter behandeling als bezwaar. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Zie artikel 4.4 van de Woo. Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb maakt dit mogelijk. Ingevolge artikel 6:15 van de Awb.