← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1425

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 26/336, 26/482, 26/484, 26,486, 26,488, 26/490, 26/492, 26/494, 26/496, 26/498, 26/500, 26/502, 26/505, 26/507, 26/509, 26/511, 26,514, 26/516, 26/518, 26/26/521, 26/523, 26/526, 26/528, 26/530, 26/533 en 26/

  1. uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2026 in de zaken tussen [verzoeker 1] , uit [plaats 1] , verzoeker in de zaak 26/336, [verzoeker 2] , uit [plaats 2] , verzoeker in de zaak 26/482 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 3] , uit [plaats 3] , verzoeker in de zaak 26/484 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 4] , uit [plaats 4] , verzoeker in de zaak 26/486 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 5] , uit [plaats 5] , verzoeker in de zaak 26/488 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 6] , uit [plaats 2] , verzoeker in de zaak 26/490 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 7] , uit [plaats 6] , verzoeker in de zaak 26/492 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 8] , uit [plaats 2] , verzoeker in de zaak 26/494 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 9] , uit [plaats 7] , verzoeker in de zaak 26/496 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 10] , uit [plaats 8] , verzoeker in de zaak 26/498 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 11] , uit [plaats 5] , verzoeker in de zaak 26/500 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 12] , uit [plaats 5] , verzoeker in de zaak 26/502 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 13] , uit [plaats 9] , verzoeker in de zaak 26/505 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 14] , uit [plaats 10] , verzoeker in de zaak 26/507 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 15] , uit [plaats 11] , verzoeker in de zaak 26/509 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 16] , uit [plaats 12] , verzoeker in de zaak 26/511 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 17] , uit [plaats 5] , verzoeker in de zaak 26/514 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 18] , uit [plaats 13] , verzoeker in de zaak 26/516 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 19] , uit [plaats 5] , verzoeker in de zaak 26/518 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 20] , uit [plaats 14] , verzoeker in de zaak 26/521 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 21] , uit [plaats 15] (NH), verzoeker in de zaak 26/523 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 22] , uit [plaats 16] , verzoeker in de zaak 26/526 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 23] , uit [plaats 17] , verzoeker in de zaak 26/528 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 24] , uit [plaats 18] , verzoeker in de zaak 26/530 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 25] , uit [plaats 5] , verzoeker in de zaak 26/533 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), [verzoeker 26] , uit [plaats 19] , verzoeker in de zaak 26/535 (gemachtigde: [verzoeker 1] ), hierna samen aangeduid als verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau, het college (gemachtigde: mr. S.M.J. Janssens). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vakantiepark] B.V. uit [plaats 5] (vergunninghouder) (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding
  2. Het college heeft op 18 februari 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen voor het bouwen van 12 recreatiewoningen op het adres ‘ [adres 1] tot en met [adres 2] ’ in [plaats 5] , op het [vakantiepark] . Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning verleend op 6 juni
  3. Met de bestreden besluiten van 9 december 2025 heeft het college de bezwaren van verzoekers per verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en hebben ook verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend.
  4. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorzieningen van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3.
  5. Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk ongegrond zijn. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De rechtbank heeft op 20 februari 2026 uitnodigingen verzonden voor de zitting van de meervoudige kamer op 26 maart 2026 waarop de beroepen van verzoekers (de bodemzaken) worden behandeld. De heer [gemachtigde] heeft namens vergunninghouder telefonisch aan de griffier verklaard dat hij voor deze zitting geen gebruik zal maken van de vergunning. De voorlopige planning is dat de werkzaamheden medio april of in mei zullen starten, maar de werkzaamheden kunnen volgens vergunninghouder met één of twee maanden worden uitgesteld. Gelet op de omstandigheid dat de bodemzaken op korte termijn op zitting worden behandeld en gelet op de verklaring van [gemachtigde] namens vergunninghouder waaruit volgt dat de werkzaamheden niet zullen starten voordat de rechtbank de beroepen op zitting zal behandelen, concludeert de voorzieningenrechter dat geen sprake is van spoedeisend belang. Conclusie en gevolgen
  7. De verzoeken zijn daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 3 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.