RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2179 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen V.O.F [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, het college. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van haar aanvraag om een omgevingsvergunning 1e fase voor het realiseren van uitlopen aan bestaande stallen en het oprichten van twee nieuwe stallen op het perceel gelegen aan [adres] . Het college heeft met het bestreden besluit van 11 februari 2025 geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens het college [naam 1] en drs. [naam 2] . 1.
- Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Verklaring van geen bedenkingen Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant 2.
- Op grond van de wet is het vragen van deze verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant vereist. Het college heeft hierom niet gevraagd. Dit is een gebrek aan het bestreden besluit. Vvgb van de gemeenteraad van de gemeente Moerdijk 2.
- De rechtbank heeft vastgesteld dat het delegatiebesluit waarnaar het college in het bestreden besluit verwijst, door deze rechtbank bij uitspraak van 21 februari 2025 onverbindend is verklaard. Dit betekent dat het delegatiebesluit geacht wordt nooit te hebben bestaan, waardoor het college in alle gevallen – dus niet alleen in de zaak waarin die uitspraak is gedaan – ook een vvgb aan de gemeenteraad had moeten vragen. Dat heeft het college niet gedaan. Dit is een gebrek aan het bestreden besluit. Toepasselijk recht 2.
- Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór 1 januari 2024, dan blijft op grond van die wetten het oude recht van toepassing. Het oude recht omvat naast de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ook de Wet ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (hierna: IOV). De aanvraag is ingediend op 2 augustus 2023 – vóór 1 januari 2024 – en dus is het oude recht van toepassing. Het college heeft in plaats van de IOV de Omgevingsverordening Noord-Brabant toegepast. Dat is onjuist en dus een gebrek aan het bestreden besluit. Ontbrekende stukken
- Ten overvloede geeft de rechtbank aan het college het volgende mee. Zoals ook besproken tijdens de zitting, heeft het college een aantal stukken benoemd die bij de aanvraag ontbreken. Het is de vraag of deze stukken in volle omvang relevant zijn in het kader van het beoordelen van de nu aangevraagde a- en c-activiteit. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond omdat aan het bestreden besluit diverse formele gebreken kleven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan het college – en aan de gemeenteraad en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant via het verlenen dan wel weigeren van een vvgb – om opnieuw te beslissen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een zogenaamde bestuurlijke lus. Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen. 4.
- Het college moet – gelet op de nog te volgen procedures – uiterlijk binnen zes maanden na de dag waarop het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is verzonden, een nieuwe beslissing nemen op de aanvraag. 4.
- Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden.
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de onder de beslissing omschreven wijze. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 11 februari 2025; draagt het college op binnen zes maanden na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag om omgevingsvergunning met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzitter, en mr. S. Hindriks en mr. T.I. van Term, leden, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. griffier voorzitter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Artikel 6.6, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht. ECLI:NL:RBZWB:2025:
- Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. Activiteit zoals benoemd in artikel 2.1, eerste lid, onder a (bouwen van een bouwwerk) en in artikel 2.1, eerste lid, onder c (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening) van de Wabo.