← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:1586

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 26/895 en 26/1289 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [de vergunninghouder] uit [plaats 2] (de vergunninghouder). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoeker tegen de bestreden besluiten van 21 januari 2026 en 10 februari 2026 over de verlening van twee omgevingsvergunningen voor het vellen van tien en drie houtopstanden aan [adres] in [plaats 1] . 1.
  2. Verzoeker en diverse omwonenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening. 1.
  3. Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en [persoon 1] , namens het college mr. M.A. Wouters en de vergunninghouder met [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . 1.
  5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang
  6. De voorzieningenrechter treft enkel een verzoek om voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed dat vereist. Dat is onder andere het geval als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen, waardoor de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Vergunninghouder heeft kenbaar gemaakt vóór aankomend broedseizoen – wat begint op 15 maart 2026 – te willen starten met het vellen van de houtopstanden. Er is daarmee sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Hierover is tussen partijen ook geen discussie. Belanghebbendheid
  7. Om het bezwaar van verzoeker inhoudelijk te kunnen beoordelen, is vereist dat verzoeker is aan te merken als belanghebbende bij de bestreden besluiten. Een belanghebbende is iemand wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. Verzoeker woont op ongeveer 30 meter van het perceel waar de te vellen houtopstanden staan. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat verzoeker enig zicht heeft op de te kappen bomen en dat hij daarmee is aan te merken als belanghebbende bij de bestreden besluiten. Het college dient dit met de beslissing op bezwaar nader te beoordelen. Dit geldt ook voor de overige bezwaarmakers. Beoordeling verzoeken
  8. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 4.
  9. Uit de bestreden besluiten blijkt niet over welke bomen het gaat, wat de grondslag (per boom) is voor de omgevingsvergunningen op grond van de Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024 (hierna: Bomenverordening) en hoe er getoetst is aan de weigeringsgronden uit de Bomenverordening. Ook is niet duidelijk of er nu wel of niet getoetst is aan artikel 6, derde lid, van de Bomenverordening. Dit zijn gebreken in de bestreden besluiten. Op zitting heeft het college desgevraagd aangegeven dat de grondslag voor de omgevingsvergunningen artikel 5, eerste of derde lid, van de Bomenverordening is. Daarmee is nog altijd onduidelijk wat de grondslag is per individuele boom. De conclusie blijft dat per individuele boom onvoldoende gemotiveerd is dat de omgevingsvergunningen konden worden verleend. Bovendien blijkt uit de bestreden besluiten niet hoe en of voldaan is aan het indieningsvereiste dat ziet op participatie. Ook dit is een gebrek. 4.
  10. Er kleven, gelet op voorgaande, diverse gebreken aan de bestreden besluiten en daarmee komen de bestreden besluiten voor schorsing in aanmerking. Met het oog op de te nemen beslissing op bezwaar, zal de voorzieningenrechter hierna ingaan op de overige bezwaargronden. Zicht op plannen en herplantplicht
  11. De omgevingsvergunning dient onder meer te worden geweigerd, indien er onvoldoende zicht is op (premature) plannen en eventuele herplant. Het college heeft toegelicht dat er omgevingsvergunningen zijn verleend voor het realiseren van het bouwvlak en het bouwen van de woning. Daarmee bestaat er voldoende zicht op de plannen. Daarnaast lijkt de herplantplicht voldoende gewaarborgd in de bestreden besluiten. Er is opgenomen welke nieuwe bomen van een bepaalde klasse en maat, binnen welke termijn moeten worden geplant zoals op de situatietekening en in de lijst met boomgegevens staat. Dat staat nog los van het feit dat er geen verplichting tot herplant uit de Bomenverordening volgt. Broedseizoen
  12. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat de voorwaarde ten aanzien van het kappen buiten het broedseizoen onduidelijk is en zich ten onrechte niet richt op overige dieren, oordeelt de voorzieningenrechter dat dit vooralsnog geen reden is dat het college de omgevingsvergunningen had moeten weigeren. Tussen partijen is niet in geschil dat niet zal worden gekapt tijdens het broedseizoen, dus is een ecologisch rapport niet nodig. Voor de mogelijke aanwezigheid van overige dieren, zoals eekhoorns, heeft de vergunninghouder een onderzoek laten uitvoeren naar de holtes in de bomen. Uit dit onderzoek volgt dat er geen dieren aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het vellen van bomen. Conclusie en gevolgen
  13. Er kleven naar het oordeel van de voorzieningenrechter dusdanig veel gebreken aan de bestreden besluiten, terwijl het vellen van de houtopstanden onomkeerbare handelingen zijn. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten zijn geschorst tot uiterlijk twee weken na de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de vergunninghouder gedurende die periode geen gebruik mag maken van de omgevingsvergunningen. 7.
  14. De voorzieningenrechter ziet, gelet op voorgaande, aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 7.
  15. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst de bestreden besluiten tot uiterlijk twee weken na de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 400,- aan verzoeker moet vergoeden. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Artikel 6, vijfde lid, van de Bomenverordening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.