RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-277516-24 vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Somalië), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [locatie] , raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. A. Verhoeven, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden. Dit is subsidiair ten laste gelegd als zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling. feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert vrijspraak van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte heeft één keer met glas gestoken, waarbij [slachtoffer] boven zijn slaap is geraakt. Dit levert geen aanmerkelijke kans op de dood op. De onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling en feit 2 acht de officier van justitie bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat er geen aanmerkelijke kans was op de dood. Voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde en feit 2 is geen bewijsverweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 29 augustus 2024 met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht van [slachtoffer] heeft gestoken. Hierdoor heeft [slachtoffer] een litteken in zijn gezicht opgelopen. Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, maar wel als een zware mishandeling. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde en acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 augustus 2024 [slachtoffer] heeft mishandeld. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 op 29 augustus 2024 te [plaats], [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend ontsierend litteken in het gezicht, heeft toegebracht door met een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht van die [slachtoffer] te steken; 2 op 29 augustus 2024 te [plaats], [slachtoffer] heeft mishandeld door in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 560 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert zij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, met daaraan verbonden alle voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Ook dient aan verdachte te worden opgelegd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM). Verder is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en de tbs met voorwaarden. Indien de tbs met voorwaarden wordt opgelegd, vindt de verdediging de oplegging van de GVM niet noodzakelijk. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Ernst van de feiten Verdachte heeft zich op 29 augustus 2024 schuldig gemaakt aan zware mishandeling en mishandeling van [slachtoffer] . [slachtoffer] zat met vrienden in een skatepark. Verdachte is toen op [slachtoffer] afgelopen, omdat hij dacht [slachtoffer] en zijn vrienden naar hem keken en over hem spraken, en heeft hem in zijn gezicht geslagen. [slachtoffer] en zijn vrienden hebben vervolgens geprobeerd om verdachte weg te jagen. Verdachte liep ook weg, maar kwam terug met een puntig en/of scherp voorwerp en heeft daarmee in het gezicht van [slachtoffer] gestoken. Hierdoor heeft [slachtoffer] een blijvend litteken op zijn slaap opgelopen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat hij maanden last heeft gehad van hoofdpijn. Tot de dag van vandaag is hij oplettend en gaat hij het liefst niet alleen naar buiten. [slachtoffer] is erg gespannen en bang om verdachte tegen te komen. Voor de psychische klachten wordt [slachtoffer] behandeld door een psycholoog. Persoon van verdachte Uit de pro-justitia rapportage van 8 december 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van schizofrenie. Ook is er een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis, beide in remissie binnen de gereguleerde setting van detentie. De stoornissen van verdachte hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen tijdens de bewezenverklaarde feiten in aanzienlijke mate beïnvloed. Het is zeer aannemelijk dat het handelen van verdachte door waanachtige , paranoïde interpretaties gedreven is geweest, waarbij hij de situatie in het skatepark vanuit een gestoorde realiteitstoetsing heeft ingeschat en op zichzelf heeft betrokken. Daarom wordt geadviseerd om de feiten verminderd aan hem toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en stelt vast dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verder volgt uit het rapport dat het risico op recidive hoog is als er geen behandeling is voor de stoornissen. Het risico op gewelddadig gedrag wordt in belangrijke mate bepaald door de kans op een psychotische ontregeling. Daarom is een specialistische geïntegreerde behandeling nodig, waarin medische, gedragsmatige en psychosociale interventies worden gecombineerd binnen een klinisch en gestructureerd kader. Hiervoor achten de pro-justitia rapporteurs een tbs met voorwaarden het meest aangewezen kader. Verdachte toont beginnende motivatie voor begeleiding en behandeling, maar dit wordt negatief beïnvloed door het gebrekkig ziekte- en probleembesef. In de komende periode moet worden bekeken of verdachte met voldoende bereidwilligheid in staat is om zich aan voorwaarden te houden. Het reclasseringsrapport van 27 december 2025 is van gelijke strekking als de pro-justitia rapportage. De reclassering adviseert voorzichtig positief over een tbs met voorwaarden. Verdachte heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan de voorwaarden. Naast de tbs met voorwaarden acht de reclassering een GVM passend om verdachte, ook na de tbs, te ondersteunen bij het stabiel inrichten van zijn leven en dit zo te houden. Oplegging gevangenisstraf Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend en geboden. Zij legt aan verdachte dus op een gevangenisstraf van 560 dagen met aftrek van het voorarrest. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Oplegging tbs met voorwaarden De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van de tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde zware mishandeling is een gevangenisstraf van meer dan vier jaren gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel, omdat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis en er in de toekomst opnieuw gewelddadig gedrag kan plaatsvinden, indien de stoornis niet langdurig en intensief wordt behandeld. Gelet op de bevindingen van de pro-justitiarapporteurs en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de tbs ook noodzakelijk is. Er is dan een stevig kader waarin behandeling van verdachte kan plaatsvinden. De rechtbank zal de tbs dan ook aan verdachte opleggen. Aan de tbs zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde en in het dictum nader omschreven voorwaarden verbinden. Gelet op de noodzaak van behandeling en het gevaar voor recidive van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Schorsing voorlopige hechtenis Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van 560 dagen opleggen en de tbs met voorwaarden. De tbs met voorwaarden is dadelijk uitvoerbaar. Een van de voorwaarden is dat verdachte zich laat opnemen in een door de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg (hierna: IFZ) geïndiceerde kliniek. De reclassering heeft op de zitting laten weten dat op dit moment geen plaats is in de beoogde kliniek ( [kliniek] ) en dat de Divisie Individuele Zaken (DIZ) niet kan garanderen dat er na de gevangenisstraf meteen (aansluitend op detentie) een overbruggingsplek is. De kans bestaat dat DIZ verdachte niet tijdig kan plaatsen. Daarom overweegt de rechtbank in het kader van de voorlopige hechtenis het volgende. Artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij alle einduitspraken het bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd. De rechtbank beantwoordt de vraag of sprake is van oplegging van een sanctie als bedoeld in artikel 72 lid 3 Sv aan de hand van de op te leggen tbs, en niet aan de hand van de door de rechtbank gekozen modaliteit van die maatregel. De rechtbank is van oordeel dat met de oplegging van de tbs sprake is van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. De rechtbank is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou leiden tot een periode waarin verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis schorsen (onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 Sr) met ingang van het moment dat verdachte zal worden opgenomen in de door het IFZ geïndiceerde kliniek. De rechtbank is zich ervan bewust dat dat betekent dat verdachte, ook als er geen beroep wordt ingesteld, mogelijk na ommekomst van zijn gevangenisstraf enige tijd in voorarrest zal verblijven. Hoewel dat langere verblijf in voorarrest dienstig is aan de noodzakelijk geachte afdoening, is de rechtbank zich bewust van de voor verdachte onwenselijke gevolgen daarvan op korte termijn. De rechtbank verzoekt daarom de bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om verdachte op zo kort mogelijke termijn te laten opnemen. Voor het geval de voorwaarden worden overtreden en er alsnog dwangverpleging wordt bevolen, overweegt de rechtbank reeds het volgende: De maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan. GVM Naast de tbs met voorwaarden zal de rechtbank ook de door de reclassering geadviseerde GVM opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de terbeschikkingstelling onder toezicht te stellen, indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel, als bedoeld in artikel 38z, lid 1, sub a, van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van verdachte. Daarbij overweegt de rechtbank dat volgens de pro-justitia rapporteurs en de reclassering bij verdachte langdurige begeleiding en medicamenteuze behandeling noodzakelijk is. De problematiek van verdachte blijft zijn leven lang aanwezig, waardoor gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na de tbs passend en geboden kunnen zijn. 7De [slachtoffer] De [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.596,61, bestaande uit € 596,61 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast vordert [slachtoffer] vergoeding van zijn proceskosten conform het liquidatietarief. Materiële schade De materiële schade bestaat uit: * kledingschade (jas, schoenen, zonnebril, horloge en ketting): € 504,00;* medische kosten: € 5,00;* ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 28,00;* telefoonkosten: € 25,00;* reiskosten: € 34,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.