← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:190

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/785 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] B.V., uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV alsnog heeft beslist. 1.
  2. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft hierop niet gereageerd. 1.
  3. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank
  4. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af, omdat [gemachtigde] geen correcte machtiging en uittreksel uit het handelsregister heeft ingediend en deze verzuimen niet heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
  5. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Toetsingskader machtiging en uittreksel uit het handelsregister
  6. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Indien voor een rechtspersoon beroep wordt ingesteld mag de rechtbank verlangen dat naast een machtiging, waaruit blijkt dat gemachtigde gerechtigd is beroep in te stellen, een uittreksel uit het handelsregister wordt overgelegd. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Is er een correcte machtiging en uittreksel uit het handelsregister overgelegd?
  7. Het beroepschrift is ingediend door [naam 1] , werkzaam bij [B.V.] In het beroepschrift staat dat verzoekster [B.V.] heeft verzocht om namens haar op te treden in de beroepsprocedure. In de machtiging die is overgelegd wordt [gemachtigde] , werkzaam bij [B.V.], gemachtigd om beroep in te stellen. Namens verzoekster heeft [naam 2] de machtiging ondertekend. Uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt echter niet dat [naam 2] de bevoegde bestuurder is om namens verzoekster [naam 1] , [B.V.] of [gemachtigde] te machtigen. De rechtbank heeft per post en per aangetekend verzonden brief op 16 april 2025 gevraagd om het verzuim te herstellen met een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt dat [naam 2] (uiteindelijk) als zelfstandig bevoegd bestuurder gerechtigd is volmacht te verlenen. [B.V.] heeft op dit verzoek gereageerd met een uittreksel uit het handelsregister van verzoekster, echter sluit deze niet aan met de eerder overgelegde machtiging. Omdat er geen correcte machtiging en uittreksel uit het handelsregister is ingediend, is het verzuim niet hersteld. Zijn de verzuimen verontschuldigbaar?
  8. [gemachtigde] heeft geen reden gegeven voor deze verzuimen. Er is dus geen verontschuldiging voor deze verzuimen gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat [gemachtigde] niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen. Krijgt verzoekster een vergoeding van de proceskosten?
  9. Als het beroep niet was ingetrokken zou de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat er geen correcte machtiging en uittreksel uit het handelsregister is overgelegd. Aangezien het beroepschrift niet voldoet aan de vereisten die aan een beroepschrift worden gesteld, beoordeelt de rechtbank niet of het UWV tegemoet is gekomen aan het ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 20 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.