ECLI:NL:RBZWB:2026:1915
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg Parketnummer: 02-231460-25 Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1986, ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] , raadsman: mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg.
1Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: op 31 juli 2025 [aangeefster 1] heeft aangerand; feit 2: op 1 augustus 2025 een (nog onbekend gebleven) persoon heeft aangerand; feit 3: op 2 augustus 2025 [aangeefster 2] heeft aangerand; feit 4: op 16 augustus 2025 [aangeefster 3] heeft mishandeld; feit 5: op 2 september 2025 [aangeefster 4] heeft aangerand.
3De voorvragen De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs 4.1.
Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier keer opzetaanranding en daarnaast aan een mishandeling. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangiftes en overige bewijsmiddelen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de aanrandingen aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de mishandeling is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte heeft aangeefster [aangeefster 3] niet ten val gebracht. Indien [aangeefster 3] wel is gevallen door toedoen van verdachte, dan ontbreekt het opzet op de mishandeling van [aangeefster 3] .
4.3.
Het oordeel van de rechtbank 4.3.1.
De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feiten 1, 2, 3 en 5 Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en omdat er geen verweer is gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van alle ten laste gelegde aanrandingen, zal de rechtbank zich beperken tot de vraag hoe deze aanrandingen strafrechtelijk dienen te worden gekwalificeerd.
Van opzetaanranding als bedoeld in artikel 241 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake als degene die met een persoon seksuele handelingen verricht, weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt. Dit omvat ook gevallen van onverhoeds handelen. Het onverwachts en gericht op seksuele wijze betasten van iemand, getuigt van opzettelijk handelen. Diegene is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander geen ruimte geven om zich hiertegen uit te spreken.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak, in alle gevallen, sprake is van opzetaanranding. Verdachte heeft telkens onverhoeds naar een borst van de aangeefsters gegrepen en heeft daarnaast één keer een klap op de billen van een tot op heden onbekend gebleven vrouw gegeven. Door zo te handelen heeft verdachte de slachtoffers geen ruimte gelaten om daarover hun wil te uiten. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij geen enkel aanknopingspunt heeft gevonden voor een setting waarin de slachtoffers dit soort handelen zouden hebben gewild.
Feit 4 Uit de aangifte van [aangeefster 3] volgt dat zij op 16 augustus 2025 op een bankje zat toen verdachte naar haar toe kwam. Verdachte pakte haar bij haar linker bovenbeen, waardoor zij uit balans raakte en achterover van het bankje viel. Hierdoor heeft zij pijn aan haar hoofd bekomen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet is vast te stellen dat verdachte opzet had op het toebrengen van pijn of letsel aan [aangeefster 3] , ook niet in voorwaardelijke zin. Het vastpakken van een been leidt immers niet zonder meer tot een val. Dat dit in het onderhavige geval anders is, blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Gelet hierop zal verdachte worden vrijgesproken van de mishandeling van [aangeefster 3] .
4.4.
De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 op 31 juli 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, met een persoon, te weten [aangeefster 1] , een seksuele handeling heeft verricht, te weten
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank De aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich in een periode van een maand schuldig gemaakt aan vier opzetaanrandingen door onverhoeds naar de borsten van de aangeefsters te grijpen en door een klap op de billen van een vrouw te geven. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Dit soort feiten zijn naar en indringend en dragen bovendien bij aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Het kan er daarnaast voor zorgen dat het gevoel van veiligheid, waar de slachtoffers recht op hebben, voor langere tijd wordt weggenomen. Dat het voorval veel met een van de slachtoffers heeft gedaan, blijkt ook uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 27 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het voorgeleidingsconsult van 25 september 2025, opgemaakt door [psycholoog] . Hieruit volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor psychiatrische problematiek in de zin van een psychose, manie of depressie. Ook lijkt geen sprake te zijn van contactuele beperkingen of forse intellectuele beperkingen. De stemmen die verdachte zou hebben gehoord, lijken niet zozeer het gevolg te zijn geweest dan wel de aard te hebben gehad van auditieve hallucinaties.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 27 februari 2026, waarin wordt aangegeven dat zij niet kan adviseren of interventies en/of toezicht noodzakelijk zijn en kunnen leiden tot daadwerkelijke gedragsverandering. Enerzijds ziet zij noodzaak voor begeleiding en een (ambulante) behandelverplichting, ondanks dat een stoornis in het NIFP-consult niet werd geconstateerd. Anderzijds wordt opgemerkt dat de uitvoerbaarheid en haalbaarheid sterk beperkt worden door de onzekere verblijfsstatus van verdachte. Het recidiverisico wordt als gemiddeld ingeschat. Indien de rechtbank het noodzakelijk acht, adviseert de reclassering een meldplicht en ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname als bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging Gelet op al het voorgaande en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek van voorarrest passend en geboden. De rechtbank verstaat dat verdachte deze straf reeds heeft uitgezeten.
7De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [aangeefster 2] vordert een schadevergoeding van € 1.275,00 voor feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 775,00, waarvan € 25,00 materiële schade en 750,00 immateriële schade. Een vergoeding van € 750,00 oordeelt de rechtbank billijk gelet op de aard en ernst van de aantasting en de gestelde en niet weersproken gevolgen daarvan. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor zover de vordering ter vergoeding van schade als gevolg van het immateriële nadeel een bedrag van € 750,00 te boven gaat, is die onvoldoende onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 2 augustus 2025.
De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters) 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 57 en 241 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing De rechtbank:
Vrijspraak
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Strafoplegging
Benadeelde partij
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse voorzitter, en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 18 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging 1 hij op of omstreeks 31 juli 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten