RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/1402 en 25/1403 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 januari 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 januari 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. Daarnaast heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikking belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden samengevat: Zaaknr. Jaar Soort Dagtekening Aanslagnummer Belasting Boete Rente 25/1402 2021 IB/PVV 20-12-2023 [BSN] .H.16.01 € 105.500 € 385 € 8.015 23/1403 2021 Zvw 20-12-2023 [BSN] .W.16.01.4 € 2.190 - € 167 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft de zaken op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Gelijktijdig zijn ook de zaken van belanghebbende met 22/1764, 22/2096, 22/5536, 23/1899 tot en met 23/1903, 24/5730, 24/5731, 24/7689, 24/7690, 24/7701 en 24/7702, en de zaken van [persoon] , de echtgenote van belanghebbende, met nummers 23/11555 tot en met 23/11558 behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] , [inspecteur 6] en [inspecteur 7] . Van hetgeen ter zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen verzonden. 1.4. Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De griffier heeft op 11 augustus 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende voor de onderhavige zaken is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 11 augustus 2025 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De rechtbank leidt overigens uit het verdagingsverzoek van belanghebbende (zie 4.1) af dat belanghebbende op de hoogte was van de zitting en dat hij ervoor heeft gekozen om bij afwijzing van het verdagingsverzoek niet ter zitting te verschijnen. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende. Feiten 2. Belanghebbende drijft in 2021 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak met de handelsnaam [eenmanszaak] . De activiteiten bestaan uit interim ICT management & consultancy opdrachten in het SAP/ICT applicatiedomein. Op 30 april 2023 is de onderneming opgeheven. 1.1. Verder is belanghebbende in 2021 in loondienst bij [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). 1.2. [bedrijf 2] is opgericht per 13 januari 2021. Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is bij oprichting [de zoon] , de zoon van belanghebbende (de zoon). De activiteiten van [bedrijf 2] bestaan uit consultancy werkzaamheden, namelijk interim management bij ICT-projecten. De werkzaamheden worden uitgevoerd door belanghebbende. De zoon verricht buiten zijn functie als bestuurder, geen werkzaamheden voor [bedrijf 2] . Hij is elders fulltime in dienstbetrekking. 1.3. Op 27 september 2021 is een leningsovereenkomst gesloten tussen [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door de zoon, en belanghebbende, waarin is overeengekomen dat [bedrijf 2] € 113.004,19 aan belanghebbende heeft geleend. Hiermee gaat belanghebbende akkoord dat de bedragen die vanuit [bedrijf 2] via de rekening-courant in de periode 1 januari 2021 tot en met 31 augustus 2021 op de privérekening van de zoon zijn betaald, voor zijn rekening komen. De rente bedraagt 7% per jaar. Er is zekerheid gesteld in de vorm van een pandrecht. Het pandrecht ziet op de inboedel aanwezig in de woning van belanghebbende aan [adres] in [plaats] . De lening moet ineens met rente op 31 december 2031 worden afgelost. Belanghebbende heeft de lening aan [bedrijf 2] (nog) niet terugbetaald. De verschuldigde rente is bijgeschreven. 1.4. Alle aandelen in [bedrijf 2] zijn per 12 november 2021 door de zoon overgedragen aan belanghebbende. Belanghebbende is vanaf dat moment ook enig bestuurder van [bedrijf 2] . Per 20 april 2023 is [bedrijf 2] uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. 2.1. De inspecteur heeft een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Het onderzoek is later uitgebreid met de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2021. De inspecteur heeft de bevindingen van het boekenonderzoek vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 30 augustus 2023. 1.5. Belanghebbende is uitgenodigd om een aangifte IB/PVV en Zvw te doen voor het jaar 2021 (de aangifte). Belanghebbende heeft vervolgens diverse keren om uitstel verzocht. Het laatste uitstel is verleend tot 1 augustus 2023. Vervolgens is belanghebbende op 29 augustus 2023 herinnerd en op 30 oktober 2023 aangemaand om aangifte te doen. In de aanmaning is vermeld dat de aangifte voor 21 november 2023 moest zijn ingediend. Belanghebbende heeft binnen die termijn geen aangifte IB/PVV en Zvw 2021 gedaan. 1.6. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 2] en daarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 en de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2021 tot en met 30 september 2022 onderzocht. 1.7. De inspecteur heeft de bevindingen van het boekenonderzoek bij [bedrijf 2] vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 5 oktober 2023. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: “5 Loonheffingen (…) Uit onze gegevens is gebleken dat: (…) * ingaande 12 november 2021 worden de aandelen overgedragen aan de heer [belanghebbende] ; * de heer [belanghebbende] vanaf 12 november 2021 (fictief) in dienstbetrekking is bij de vennootschap en een aanmerkelijk belang in deze vennootschap bezit; * inzake de heer [belanghebbende] is derhalve de gebruikelijkloonregeling conform artikel 12a Wet LB ingaande 12 november 2021 van toepassing; * de vennootschap inzake de arbeidsverhouding met de heer [belanghebbende] een loon verantwoord ad € 18.621 over het jaar 2021 en € 48.000 over het jaar 2022; * de heer [belanghebbende] € 201.281 (€ 88.227 en € 113.004,29 onzakelijke lening) over het jaar 2021 en € 251.192 over het jaar 2022 aan de vennootschap heeft onttrokken; * ingaande 4 januari 2021 wordt een bedrijfsauto (personenauto BMW 5 serie met [kenteken] cataloguswaarde € 81.375) aan de heer [belanghebbende] ter beschikking gesteld;” 1.8. De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 ambtshalve opgelegd (zie 1.1). De aanslag IB/PVV 2021 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 228.498. Dit inkomen kan als volgt worden gespecificeerd: Loon [bedrijf 1] € 1.750 Loon [bedrijf 2] € 18.621 Uitkering gemeente Oss -/- € 150 Privégebruik auto € 17.902 Opnamen uit [bedrijf 2] € 201.321 Inkomsten uit eigen woning (€ 2.760 -/- € 13.706) -/- € 10.946 Totaal € 228.498 Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen niet te hoog vastgesteld. De boete bij de aanslag IB/PVV 2021 is terecht aan belanghebbende opgelegd, maar moet worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Vooraf De dossiers 4. De rechtbank heeft een groot aantal zaken van belanghebbende en zijn echtgenote gelijktijdig op zitting behandeld. Voor deze zaken zijn verschillende dossiers aangelegd, die bestaan uit een veelheid aan stukken. De rechtbank heeft ter zitting medegedeeld dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast zullen worden beschouwd. Dat betekent dat de rechtbank in haar beoordeling van de zaken alle stukken die zijn gewisseld in ieder dossier zal betrekken. Het verdagingsverzoek 4.1. Belanghebbende heeft bij brief van 27 oktober 2025 verzocht om verdaging van de zitting van 29 oktober 2025. Belanghebbende wil graag de uitkomst van een gesprek op 4 november 2025 in het kader van een Msnp-traject afwachten omdat het tijdens dat gesprek ook zal gaan over het stopzetten van alle beroepsprocedures. 4.2. De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaken besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van belanghebbende om de behandeling van de zaken te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat de zaken al erg lang lopen, dat de uitkomst van het gesprek op 4 november 2025 onzeker is, en dat het verdagingsverzoek pas twee dagen voor de zitting is ingediend, zonder dat is gebleken dat belanghebbende het verzoek niet eerder had kunnen indienen. Het na afloop van de zitting ingediende stuk 4.3. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de zitting in alle zaken gesloten. Op 30 oktober 2025 is door belanghebbende een aanvullend stuk ingediend in de zaak met nummer 23/1899. In dat stuk stelt belanghebbende dat de rechtbank de behandeling van de zaken op zitting had moeten verdagen omdat een stuk van de inspecteur van 15 oktober 2025 pas op 29 oktober 2025 aan belanghebbende zou zijn doorgezonden. Volgens belanghebbende is hem de kans ontnomen om zichzelf te kunnen verdedigen en te kunnen voorbereiden op het aanvullend verweer van de inspecteur. 4.4. Het stuk van 15 oktober 2025 van de inspecteur, ingekomen bij de rechtbank op 17 oktober 2025, waaraan belanghebbende refereert, heeft betrekking op de zaak met nummer 23/1901 (IB/PVV 2015). De klacht van belanghebbende heeft in wezen dus alleen betrekking op die zaak en niet de onderhavige zaken. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de behandeling van alle zaken op de zitting van 29 oktober 2025 had moeten verdagen, is de rechtbank van oordeel – onder verwijzing naar haar motivering op dit punt in de uitspraak die de rechtbank op dezelfde dag doet ten aanzien van (onder meer) de zaak met nummer 23/1901 van belanghebbende – dat er geen aanleiding is het onderzoek te heropenen. Op grond van het procesreglement is het na de zitting ingekomen stuk van belanghebbende toegevoegd aan het dossier, maar de rechtbank laat het stuk bij haar beoordeling verder buiten beschouwing. Aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 Omkering en verzwaring van de bewijslast 5. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat op die grond de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij wijst de inspecteur erop dat belanghebbende voor het jaar 2021 geen aangifte heeft ingediend terwijl hij daartoe wel op regelmatige wijze is uitgenodigd en aangemaand. 5.1. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en ook geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn. 5.2. Vast staat dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2021 heeft ingediend vóór de in de aanmaning genoemde uiterste termijn en de vaststelling van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021. Belanghebbende betwist ook niet dat hij op regelmatige wijze is uitgenodigd en aangemaand tot het doen van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021. Belanghebbende heeft alleen aangevoerd dat hij de aangifte bewust niet heeft gedaan, gelet op zijn eerdere ervaringen met het indienen van een aangifte IB/PVV tijdens een lopend boekenonderzoek. Dat is naar het oordeel van de rechtbank echter geen geldige reden om de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 niet te doen, te meer nu belanghebbende daarover niets heeft afgestemd met de inspecteur. Dat betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De bewijslast wordt dus omgekeerd en verzwaard. Dat geldt zowel voor de aanslag IB/PVV 2021 als de aanslag Zvw 2021. Redelijke schatting 5.3. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.