← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:232

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/5248 t/m 24/5254 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2025 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding

  1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. 1.
  2. De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar drs. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2] en mr. drs. [inspecteur 3]. Beoordeling door de rechtbank
  3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 augustus 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen ongegrond zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.
  4. Belanghebbende voert in verzet aan dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen haar eigen aangifte omzetbelasting voor het jaar 2016 binnen een termijn van vijf jaar. Op uitdrukkelijk verzoek van de Belastingdienst is daarna bezwaar gemaakt tegen de eigen aangiftes omzetbelasting voor de jaren 2018 tot en met
  5. Ondanks dat het bezwaar (wat ook is aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering) binnen de vijf jaar is ingediend, heeft de inspecteur het verzoek toch afgewezen. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur onterecht vasthoudt aan de bezwaartermijn, omdat dit tot onrechtvaardig gevolg heeft dat belanghebbende niet krijgt waar zij, volgens de uitspraak van de Hoge Raad, recht op heeft. 2.
  6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.
  7. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren buiten de bezwaartermijn van zes weken zijn ingediend. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aangevoerde verzetsgronden de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. In dit geval kon belanghebbende wel binnen de wettelijke termijn bezwaar maken. Zij heeft dat op dat moment niet gedaan, omdat zij daartoe toentertijd geen reden had. In zo’n situatie kan een later opgekomen reden, zoals een wijziging in juridisch inzicht, niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. 2.
  8. Van andere feiten en omstandigheden die een overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar maken, is niet gebleken. 2.
  9. De rechtbank is niet bevoegd een oordeel te geven over de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering van 8 en 11 mei 2024, zoals ook terecht is geoordeeld in de uitspraak 25 augustus
  10. Conclusie en gevolgen
  11. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 25 augustus
  12. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
  13. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:
  14. Vgl. Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062, Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.