← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:237

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6746 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder Inleiding In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker aan de voorzieningenrechter gevraagd om verweerder op te dragen een (aanvullend) besluit te nemen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
  3. De griffier heeft aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Daarbij is onder andere aan verzoeker gevraagd om aan te geven waarom hij de beroepsprocedure niet kan afwachten. Verzoeker heeft op 7 januari 2026 een schriftelijke onderbouwing gegeven waarom hij van mening is dat er sprake is van spoed. Hij heeft gesteld dat het beroep zonder aanvullend besluit niet volledig kan worden behandeld, uitstel tot onnodige stapeling van procedures leidt en de actualiteitswaarde van openbaarmaking afneemt. Verder heeft hij gesteld dat de omvang van het aantal documenten dat recent zou zijn gevonden, onvoldoende is onderbouwd.
  4. Uit de beslissing op bezwaar van 9 april 2025 blijkt dat verzoeker op 25 september 2024 een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) heeft ingediend. Inzake het beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar zal op 4 maart 2026 een zitting plaatsvinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de door verzoeker gegeven toelichting onvoldoende is gebleken dat hij de behandeling van zijn beroep niet zou kunnen afwachten. Het initiële Woo-verzoek dateert immers al van 25 september
  5. Er is dus al geruime tijd verstreken sinds verzoeker zijn Woo-verzoek heeft ingediend. Gelet daarop is het argument van verzoeker dat de actualiteitswaarde afneemt onvoldoende om op dit moment een spoedeisend belang aan te nemen. De overige argumenten zien op de inhoud van de besluitvorming en kunnen bij de behandeling van het beroep ter zitting aan de orde komen. Ook in deze argumenten wordt onvoldoende aanleiding gezien om een spoedeisend belang aan te nemen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 20 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.