RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6717 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2026 in de zaak tussen [verzoekers] , uit [woonplaats 1] , verzoekers (gemachtigde: mr. L.A. Fischer), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen (college), verweerder. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [woonplaats 2] (derde partij). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers tegen een besluit over openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.
- Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is. 1.
- Het college heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 beslist over openbaarmaking. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Bij het college is een verzoek op grond van de Woo ingediend. In dit verzoek wordt gevraagd om openbaarmaking van documenten met informatie over de opvang van Oekraïense ontheemden in de gemeente Dongen. 2.
- In het bestreden besluit heeft het college besloten een deel van de gevraagde informatie openbaar te maken. Daarbij is aangegeven dat belanghebbenden twee weken de tijd krijgen om de openbaarmaking tegen te houden door bezwaar te maken en door een voorlopige voorziening te vragen. Verzoekers zijn hiertoe overgegaan. 2.
- In artikel 4.4, vijfde lid van de Woo is bepaald dat, indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, de openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken. In lijn met die wettelijke bepaling heeft het college bevestigd de feitelijke openbaarmaking van de documenten horende bij het bestreden besluit uit te stellen totdat in de onderhavige procedure uitspraak is gedaan.
- De vraag die nu voorligt, is of de openbaarmaking langer moet worden opgeschort. De voorzieningenrechter overweegt dat afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou betekenen dat de openbaarmaking reeds zal plaatsvinden voordat het college op grondslag van het bezwaar het bestreden besluit volledig heroverweegt. De bezwaarprocedure zou daarmee zinledig worden. Uit het dossier is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang waardoor niet gewacht zou kunnen worden met openbaarmaking van de stukken totdat op het bezwaar van verzoekers is beslist. Wat derde partij in dit verband heeft aangevoerd, acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor een ander oordeel. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting kan worden afgedaan op de wijze zoals hierna onder
- vermeld. Conclusie en gevolgen
- Het verzoek is kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter treft de voorziening dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar. Hij gaat ervan uit dat het college binnen de wettelijke termijn op het bezwaar zal beslissen. 4.
- Gezien de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van verzoekers heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 934,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 934,-. Anders dan het college ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in deze zaak wegingsfactor 0,50 ('licht') toe te passen. Beslissing De voorzieningenrechter: - bepaalt dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoekers moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekers. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 20 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:527