RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1809 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer), en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag over toeslagjaar
- Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiser geen compensatie heeft verstrekt voor toeslagjaar
- Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
- Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie over toeslagjaar 2011 op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 19 mei 2023 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.
- De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] namens de Dienst Toeslagen. Totstandkoming van het bestreden besluit
- Eiser heeft op 30 augustus 2011 kinderopvangtoeslag aangevraagd per 1 mei
- Met het besluit van 14 september 2011 is aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag voor drie kinderen voor toeslagjaar 2011 toegekend van € 30.023,-. Op 18 september 2011 is de kinderopvangtoeslag per 1 mei 2011 stopgezet. De Dienst Toeslagen ging in het bestreden besluit uit van stopzetting door eiser zelf. Ter zitting is door de Dienst Toeslagen echter gesteld dat de kinderopvangtoeslag op 18 september 2011 door de Dienst Toeslagen is stopgezet. Van dit feit gaat de rechtbank uit. Met het besluit van 1 oktober 2011 is het voorschot kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2011 herzien en op nihil vastgesteld. Met het besluit van 11 maart 2014 is de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2011 definitief vastgesteld op € 0,-. 3.
- Op 18 februari 2021 heeft eiser zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. 3.
- Met het besluit van 12 augustus 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser een bedrag van € 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling. 3.
- Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat eiser over toeslagjaar 2011 geen recht heeft op compensatie. Uit het KOI viewer-systeem blijkt niet dat er opvang is geweest. Er bestaat dan ook geen recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen. Daarnaast is geen sprake geweest van hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem. 3.
- Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft het bezwaar kunnen toelichten op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie op 8 januari
- Bestreden besluit 3.
- De Dienst Toeslagen heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie en de beschouwing van 13 augustus 2024, ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft overwogen dat geen sprake is van vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel. Voor een recht op kinderopvangtoeslag was en is op grond van artikel 1.3, tweede lid, van de Wet Kinderopvang (Wko) in samenhang met artikel 4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) vereist dat de ouder op hetzelfde adres als het kind is ingeschreven en ook zorg draagt voor dat kind, ofwel dat er sprake is van co-ouderschap. Tijdens de hoorzitting is namens eiser als juist erkend dat hij tot 7 april 2011 woonachtig was op [straat] te [woonplaats] . Vanaf deze datum zou hij gewoond hebben op het [adres] te [woonplaats] , maar zou hij vergeten hebben om dat bij de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) door te geven. Uit de adresgegevens afkomstig uit de BRP kan worden herleid dat de kinderen van eiser in 2011 woonachtig waren op het [adres] . Uit diezelfde gegevens kan worden herleid dat eiser van 7 april 2011 tot 17 november 2011 geen bekend woonadres had en dat hij vanaf 17 november 2011 tot 21 februari 2012 woonachtig was op het [adres] . Eisers stelling dat hij steeds woonachtig is geweest op hetzelfde adres als zijn kinderen is dan ook onjuist en strookt in ieder geval niet met de gegevens uit de BRP. De vaststelling dat eiser voor 17 november 2011 niet woonachtig was op hetzelfde adres als zijn kinderen is daarmee juist. De Dienst Toeslagen mag uitgaan van de juistheid van de informatie uit de BRP. Nu verder gesteld noch gebleken is dat sprake was van co-ouderschap, volgt hieruit dat eiser geen recht had op kinderopvangtoeslag. Eiser komt daarom voor het jaar 2011 niet voor compensatie of tegemoetkoming op grond van de Wht in aanmerking. Ten overvloede wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat door eiser in 2011 gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het standpunt van eiser dat, in weerwil van de gegevens uit de KOI-viewer, toch gekwalificeerde opvang zou zijn afgenomen. Beroepsgronden
- Eiser is van mening dat de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag ten onrechte heeft stopgezet en hij gecompenseerd dient te worden. Eiser was vanaf 7 april 2011 woonachtig op het [adres] te [woonplaats] , waar zijn kinderen eveneens stonden ingeschreven. Het gegeven dat deze verhuizing kennelijk niet tijdig in de BRP is verwerkt, wil niet zeggen dat eiser feitelijk niet op dat adres woonde. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen de beschikking op nihil gesteld zonder hoor- en wederhoor toe te passen. Ter zitting is toegelicht dat hiermee bedoeld wordt ten tijde van de nihilstelling van het voorschot kinderopvangtoeslag in oktober
- De Dienst Toeslagen had bij eiser moeten informeren of hij daadwerkelijk woonde op hetzelfde adres als zijn kinderen en waarom hij niet stond ingeschreven in de BRP. De Dienst Toeslagen heeft hierdoor in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play gehandeld. Eiser is hiermee immers de mogelijkheid ontnomen om voor zijn belangen op te komen. Juridisch kader
- De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiser voor compensatie over toeslagjaar 2011 heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Achtergrond
- In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren zijn fouten gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. De compensatie wordt door verweerder toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). 7.
- De rechtbank stelt vast dat de primaire compensatiebesluiten gebaseerd zijn op de compensatieregeling van artikel 49 en artikel 49b van de Awir en de beleidsregels zoals neergelegd in het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (Besluit Compensatieregeling). Met ingang van 5 november 2022 is de Wht van kracht. Voornoemde compensatieregeling is met ingang van die datum ondergebracht in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht. Was sprake van institutionele vooringenomenheid en/of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem?
- Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht volgt dat van institutionele vooringenomenheid sprake kan zijn geweest op groepsniveau of op het niveau van een individuele ouder. Bij institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen gaat het om een collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook gaat het om het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken. Met een zerotolerance-onderzoek wordt een aanpak bedoeld waarbij op excessieve wijze strikt werd gehandhaafd, vanuit de gedachte dat iedere gebleken overtreding of onregelmatigheid een indicatie was van stelselmatig misbruik of fraude. Het gaat niet om de optelsom van de genoemde kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier van een belanghebbende. Het betreft geen limitatieve opsomming. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht volgt verder dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding gezien om compensatie toe te kennen vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem voor wat betreft toeslagjaar
- De stelling van eiser dat hij van 7 april 2011 tot 17 november 2011 op hetzelfde adres als zijn kinderen woonde, heeft hij niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Eiser heeft verwezen naar de tijdlijn in het informatie- en beoordelingsformulier waarin staat dat hij bekend is als medebewoner. Wat daar ook van zij, uit artikel 1.3, tweede lid, van de Wko in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Awir vloeit voort dat eiser en zijn kinderen op hetzelfde woonadres ingeschreven moeten staan in de BRP om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag. Aan die eis voldeed eiser niet. Gelet op deze in de wet vastgelegde eis had de Dienst Toeslagen niet eerst navraag bij eiser hoeven doen, of eiser feitelijk wel op hetzelfde woonadres als zijn kinderen woonde. Of eiser feitelijk woonde op hetzelfde woonadres als zijn kinderen, is immers niet van belang. De wet vereist dat eiser en zijn kinderen op hetzelfde woonadres ingeschreven staan in de BRP. Dienst Toeslagen mocht afgaan op de informatie in het BRP. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag voor compensatie voor toeslagjaar 2011 terecht is afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 22 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet hersteloperatie toeslagen Artikel 2.1
- De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
- De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. (…) Artikel 8.6 Beschikkingen ter zake van compensatie (…) die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 onderscheidenlijk 4.2, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Wet Kinderopvang Artikel 1.3 (…)
- Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing met uitzondering van artikel 5 van die wet op wijzigingen in de kosten van kinderopvang per kind, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat: a. in afwijking van artikel 4, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een kind voor wie de pleegouder een vergoeding ontvangt op grond van de Jeugdwet, geacht wordt door die pleegouder in belangrijke mate te worden onderhouden; b. in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, een ouder over de berekeningsjaren 2014 en volgende geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als bedoeld in de artikelen 1.5 en 1.5a over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand die drie kalendermaanden gelegen is voor de datum waarop de aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend bij de Dienst Toeslagen. Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Artikel 4
- Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en als ingezetene op hetzelfde woonadres als de belanghebbende is ingeschreven in de basisregistratie personen. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind.
- De in het eerste lid opgenomen voorwaarde van inschrijving in de basisregistratie personen geldt niet gedurende de periode waarin de aldaar bedoelde persoon tegelijkertijd tot de huishoudens van zijn beide ouders behoort en hij op hetzelfde woonadres als een van die ouders is ingeschreven in de basisregistratie personen. Voor de toepassing van de eerste zin behoort een kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders indien hij binnen het kalenderjaar in nagenoeg gelijke mate in elk van beide huishoudens verblijft. Aan deze voorwaarde wordt in ieder geval voldaan wanneer het kind 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft. Indien het kind niet gedurende het gehele kalenderjaar, maar wel gedurende ten minste een maand, in elk van beide huishoudens verblijft, wordt het aantal dagen, genoemd in de derde zin, naar tijdsgelang herrekend.
- Een kind wordt in belangrijke mate onderhouden als bedoeld in het eerste lid indien is voldaan aan de regels gesteld krachtens artikel 1.5 van de Wet inkomstenbelasting
- Artikel 49 (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)
- In gevallen waarin toepassing van deze wet, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van de belanghebbende te laten, is Onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij beschikking een hardheidstegemoetkoming toe te kennen.
- Toekenning van de hardheidstegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek van de belanghebbende die geen beroep kan doen op herziening van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering omdat vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop die beschikking betrekking heeft en een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, is verstreken.
- De hardheidstegemoetkoming betreft de voor de belanghebbende nadelige gevolgen van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering, bedoeld in het tweede lid, voor zover die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen. De onevenredigheid van die gevolgen wordt weggenomen door het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de hardheidstegemoetkoming overeenkomstig: a. herziening van de beschikking tot vaststelling waarbij het recht op kinderopvangtoeslag per berekeningsjaar wordt vastgesteld naar rato van het bedrag aan kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald, of; b. herziening van de beschikking tot terugvordering onder bijzondere omstandigheden. (…) Artikel 49b (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)
- In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan de rijksbelastingdienst in verband met een samenstel van zijn handelingen waarbij sprake is van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, volgens bij die regeling te stellen regels en binnen bij die regeling te stellen kaders, aan de belanghebbenden compensatie verlenen. Deze compensatie geschiedt in verband met het door die handelingen door die belanghebbenden ondervonden nadeel, voor zover de reguliere bestuursrechtelijke rechtsmiddelen voor 23 oktober 2019 onvoldoende toereikend werden geacht om dit nadeel geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en dit nadeel niet is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan de belanghebbenden toerekenbaar zijn. Het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de compensatie geschiedt op een door de belanghebbende voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek. De compensatie blijft achterwege voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is of wordt voorzien. (…) Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (geldend van 8 september 2020 tot en met 4 november 2022, vervallen per 2 februari 2023 met terugwerkende kracht tot en met 5 november 2022) Dit besluit bevat beleidsregels voor de verstrekking van een compensatie aan ouders vanwege de institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken.
- Doelgroep Dit besluit voorziet in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van het CAF 11-onderzoek (onderdeel 2.1), die deel uitmaakte van een vergelijkbaar (CAF-)onderzoek (onderdeel 2.2) of die aannemelijk maakt dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (onderdeel 2.3). (…) 2.
- Vergelijkbare (CAF-)onderzoeken (…) De Adviescommissie heeft in haar advies de (CAF-)onderzoeken geïdentificeerd waarin waarschijnlijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of waarin mogelijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze. De Belastingdienst/Toeslagen zal voor deze (CAF-)onderzoeken aan de hand van de door de Adviescommissie beschreven kenmerken beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een institutioneel vooringenomen handelwijze. Het gaat hierbij om de volgende kenmerken:
- Een collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (‘zachte stop’).
- Het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren.
- Een zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden.
- Het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
- Het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Bij de beoordeling van de (CAF-)onderzoeken aan deze kenmerken gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een onderzoek. De afwezigheid van één kenmerk betekent niet dat er geen sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze evenmin als dat de aanwezigheid van meerdere kenmerken per definitie een institutioneel vooringenomen handelwijze betekent. De beoordeling geschiedt op basis van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, inclusief het onderzoeksdossier. (…) Stcrt. 2021,
- Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 70-71.