Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:2920
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie: Middelburg Zaak- / rekestnr.: C/02/407752 / FA RK 23-1406 (ontbinding geregistreerd partnerschap) C/02/440682 / FA RK 25-5201 (boedel) beschikking d.d. 11 maart 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats ] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. V.J.C. Pieters te Goes, en [de man] , wonende te [woonplaats ] , hierna te noemen de man, advocaat mr. M. Kalle te Middelburg.
Als informant wordt aangemerkt: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen: de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 21 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was een vertegenwoordiger van de Raad en de GI aanwezig.
2De feiten 2.1.
Partijen zijn op [datum] 2018 te Rotterdam een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zij hebben geen partnerschapsvoorwaarden opgemaakt.
2.2.
Partijen hebben het navolgend thans nog minderjarige kind:
2.3.
De minderjarige verblijft bij de vrouw. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag.
2.4 Bij voorlopige voorzieningenbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 juli 2023 heeft de rechtbank:
2.5 Bij voorlopige voorzieningenbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 september 2024 heeft de rechtbank bovengenoemde beschikking van 25 juli 2023 voor wat betreft de kinderbijdrage en partneralimentatie gewijzigde en bepaalt dat:
2.6 Bij beschikking van 7 maart 2025 heeft de kinderrechter de minderjarige onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Op 19 februari 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 7 maart 2026 en tot 7 maart 2027.
3Het geschil 3.1 De vrouw verzoekt, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, 1. tussen partijen, op [datum] 2018 in de gemeente Rotterdam met elkaar het geregistreerd partnerschap aangegaan, de ontbinding van geregistreerd partnerschap uit te spreken;
3.2 De man voert verweer en verzoekt, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de ontbinding uit te spreken van het geregistreerd partnerschap van partijen; de man instemt met de vaststelling van het hoofdverblijf van zoon bij moeder, hij verder instemt met aanhechting van het ouderschapsplan en convenant indien partijen daar overeenstemming over bereiken; de verzochte kinderbijdrage af te wijzen en een eventuele kinderbijdrage te laten ingaan op de datum van uw beschikking dan wel de datum van ontbinding van het partnerschap; de verzochte bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw af te wijzen, dan wel deze op een lager bedrag te bepalen dan is verzocht.
3.3 De vrouw heeft bij aanvullend verzoek verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair 1. De verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast te stellen overeenkomstig paragraaf 7 tot en met 23 van dit aanvullend verzoekschrift in die zin dat:
Subsidiair
Meer subsidiair
3.4 De man heeft verweer gevoerd ten aanzien van de zorgregeling en tevens een zelfstandig verzoek ten aanzien van de zorgregeling en verdeling gedaan. De man heeft verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
3.5 De vrouw heeft bij aanvullend verzoekschrift verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking:
3.6 De vrouw heeft verweer gevoerd op de zelfstandige verzoeken van de man en heeft tevens een zelfstandig verzoek gedaan ten aanzien van de zorgregeling.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken zoals geformuleerd in het verweerschrift met zelfstandig verzoek zorgregeling en verdeling d.d. 9 juli 2025 dan wel de in het verweerschrift met zelfstandig verzoek zorgregeling en verdeling d.d. 9 juli 2025 geformuleerde verzoeken af te wijzen.
Daarnaast verzoekt zijn bij zelfstandig verzoek te bepalen dat de zorgregeling tussen vader en [minderjarige] als volgt:
Primair [minderjarige] verblijft bij vader onder begeleiding van een professionele instantie waarbij de duur en de frequentie van de omgang aan de professionele instantie wordt overgelaten;
Subsidiair [minderjarige] verblijft bij vader verblijven gedurende één keer per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot en met zondag 19.00 uur en eenmaal per 2 weken van vrijdag uit school tot en met zaterdagmiddag tot de judo en indien er geen judo is tot 10.00 uur alsmede een gedeelte van de vakanties in onderling overleg te bepalen een en ander in aanwezigheid van opa en oma vaderszijde;
Meer subsidiair [minderjarige] verblijft de ene week bij vader van vrijdagmiddag uit school tot en met zondag 19.00 uur en de andere week van vrijdag uit school tot en met zaterdagmiddag tot de judo en indien er geen judo is tot 10.00 uur alsmede een gedeelte van de vakanties in onderling overleg te bepalen waarbij de overnachting bij opa en oma vaderszijde plaatsvinden dan wel een zodanige zorgregeling als uw rechtbank in goede justitie meent te behoren.
3.7 De man heeft bij aanvullend verzoek verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, in aansluiting op en onder instandhouding van de eerdere verzoeken, de verdeling van de gemeenschap vast te stellen en daarbij
De verdere verdeling van de gemeenschap met betrekking tot de bankrekeningen en schenkingen zo vast te stellen dat aan ieder de op naam staande eigen bankrekening(en) met saldi -voor zover nodig- worden toegescheiden en de vrouw de man een bedrag vergoedt van € 13.049,76 bestaande uit voornoemde bedragen € 8.019,50 (van de schenkingen) en € 5.030,26 (op de peildatum aanwezig) te verhogen met de helft van het saldo van de bankrekeningen van de vrouw.
Dan wel de verdeling vast te stellen zoals de rechtbank deze juist acht.
3.8 Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4De beoordeling Ontvankelijkheid 4.1 Op grond van artikel 815 lid 2 sub a jo. artikel 828 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van de echtgenoten over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap, heeft de rechtbank wanneer een ouderschapsplan ontbreekt de bevoegdheid een echtgenoot niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd.
4.2 Uit hetgeen bij gelegenheid van de zitting en de stukken naar voren is gebracht door partijen, alsmede gezien de (verlenging van de) onder toezicht stelling van de minderjarige, is gebleken dat ondanks de meerdere voorlopige voorzieningenprocedures, alsmede de ingezette hulpverlening het niet gelukt is om te komen tot een door beide partijen gedragen ouderschapsplan. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat van partijen redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij binnen een redelijke termijn alsnog een ouderschapsplan overleggen dat voldoet aan alle vereisten van artikel 815 lid 3 Rv. De rechtbank heeft partijen daarom ter gelegenheid van de zitting ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Ontbinding geregistreerd partnerschap 4.3 Beide partijen verzoeken de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken, omdat het partnerschap duurzaam is ontwricht.
4.4 Gelet hierop zal het over en weer gedane verzoek tot ontbinding van het partnerschap als op de wet gegrond worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats 4.5 De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen.
4.6 De man heeft ingestemd met het verzoek.
4.7 Nu de man instemt met het verzoek van de vrouw het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar te bepalen en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet, zal dit verzoek worden toegewezen.
Zorgregeling 4.8 Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarige conform hun voorstel.
4.9 De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij op zich niet tegen het contact van de man en de minderjarige is, maar dat dit contact wel fijn en veilig dient te zijn voor [minderjarige] . Zij heeft moeite met het vertrouwen van de man en maakt zich zorgen om de veiligheid van [minderjarige] en haarzelf. Zij stemt in beginsel in met de reguliere regeling zoals de man deze voorstelt, met dien verstande dat zij de zorgregeling op de zaterdag graag tot 10.00 uur wil in plaats van 12.00 uur, zoals door de man gewenst. Ten aanzien van de vakantieregeling heeft zij aangevoerd dat zij dat thans nog te vroeg vindt. Zij heeft daarnaast nadrukkelijk bezwaar tegen het verzoek van de man om de zomervakantie bij helfte te verdelen -waarbij [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij de man zou zijn- omdat deze periode te lang is gezien [minderjarige] jonge leeftijd.
Gelet op het verleden van agressie van de man, de verhalen die zij soms nog van [minderjarige] hoort en hetgeen uit het vonnis in de strafzaak van de man naar voren is gekomen, heeft de vrouw grote zorgen over de man. Zij wil daarom dat de zorgregeling begeleid wordt, primair door een professionele instantie, subsidiair door grootouders vaderszijde en meer subsidiair door de overnachtingen in aanwezigheid van de grootouders vaderszijde te laten plaatsvinden. Desgevraagd heeft de vrouw beaamd dat er de laatste tijd geen incidenten meer hebben plaatsgevonden tussen partijen. Daarnaast heeft zij ter zitting verklaard in te stemmen met het verzoek tot verlening van de ondertoezichtstelling.
4.10 De man heeft ter zitting verklaard zich op de toekomst te willen richten in plaats van naar het verleden te kijken. Hij heeft daarbij in zijn contact met [minderjarige] een voorkeur voor parallel solo-ouderschap. Hij geeft aan dat het contact tussen hem en [minderjarige] prima verloopt, dat de zorgregeling overdag niet begeleid is en dat er geen noodzaak is voor een opbouw van de zorgregeling. Omdat de man op het moment geen passende woonruimte heeft waar hij samen met [minderjarige] kan overnachten, slaapt hij met [minderjarige] tijdens de zorgregeling bij zijn ouders. Zodra de man terug is in de ‘echtelijke’ woning, wenst hij dat de zorgregeling ook ’s nachts onbegeleid plaatsvindt. De man wijst er in dat kader op dat er al geruime tijd geen incidenten tussen partijen zijn geweest. Hij heeft tenslotte desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, alsmede in te stemmen met het op te starten traject bij [zorgorganisatie] .
4.11 De vertegenwoordiger van de GI heeft ter zitting verklaard dat hij goed contact heeft met beide ouders. Hij krijgt van de reclassering een positieve terugkoppeling over de man. Er wordt een traject bij [zorgorganisatie] opgestart, waarbij gekeken wordt welke hulp voor [minderjarige] zelf ingezet moet worden. Er gaat daarnaast gewerkt worden aan de oudercommunicatie en er moet inzicht komen in de opvoedvaardigheden van de man.
4.12 De vertegenwoordiger van de Raad heeft aangegeven dat wat de Raad betreft de zorgregeling niet begeleid hoeft te worden. De zorgregeling die overdag al onbegeleid is kan dat blijven. Waar nu de overnachtingen nog plaatsvinden bij grootouders vaderszijde, kunnen, zodra de man over zelfstandige woonruimte beschikt, ook de overnachtingen onbegeleid plaatsvinden. Onder regie van de GI kan de zorgregeling ten slotte worden uitgebreid met de schoolvakanties. De Raad vindt dat er met het toezicht van de reclassering, de begeleiding vanuit de GI en de oudercommunicatie waar bij [zorgorganisatie] aan gewerkt gaat worden voldoende veiligheidswaarborgen voor de zorgregeling zijn. De Raad is daarbij wel van mening dat er zicht moet zijn op het verloop van de therapie van de man. De Raad acht de hulpverlening vanuit [zorgorganisatie] passend bij ouders en [minderjarige] . De Raad ziet in de leeftijd van [minderjarige] geen bezwaar tegen een verblijf van [minderjarige] bij zijn vader in de zomervakantie gedurende drie aaneengesloten weken. De Raad maakt daarbij wel de kanttekening dat [minderjarige] in die drie weken in de gelegenheid moet worden gesteld contact op te nemen met de andere ouder als hij daar behoefte aan heeft.
4.13 De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is op zichzelf (nagenoeg) overeenstemming over de (uiteindelijke) zorgregeling. Partijen verschillen nog over de volgende onderdelen van de regeling: zaterdagochtend tot 10 uur of 12 uur; de zomervakantie; wel of geen begeleide omgang; wel of geen opbouw.
De rechtbank zal deze onderdelen hierna bespreken.
4.14 zaterdagochtend tot 10 uur of 12 uur De rechtbank is van oordeel dat ook de vrouw recht en belang heeft bij contact met [minderjarige] gedurende eenmaal in de 14 dagen op (een groot deel van) de zaterdag. Dit is ook in het belang van [minderjarige] . Onbestreden is dat het voor de vrouw lastig is om dingen met [minderjarige] te ondernemen als het contact tussen [minderjarige] en de man elke zaterdag pas eindigt om 12.00 uur. De rechtbank begrijpt dat de man zoveel als mogelijk tijd met [minderjarige] wil doorbrengen, maar dit belang weegt naar het oordeel van de rechtbank minder zwaar dan het genoemde belang van de vrouw.
4.15 de zomervakantie Partijen verschillen van mening of [minderjarige] in de grote vakantie drie weken aaneengesloten bij de man kan verblijven. De rechtbank volgt hierin het advies van de Raad. Niet gebleken is van kindeigen problematiek bij [minderjarige] of anderszins zwaarwegende omstandigheden die zich verzetten tegen drie weken aaneengesloten vakantie bij de man. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in staat zijn om het zodanig te regelen dat mocht [minderjarige] behoefte hebben aan contact met zijn moeder, daarvoor ook ruimte zal zijn.
4.16 wel of geen begeleide omgang De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende noodzaak bestaat om de omgang tussen de man en [minderjarige] (professioneel) begeleid te laten plaatsvinden. Vaststaat dat de omgang overdag tussen de man en [minderjarige] al geruime tijd onbegeleid plaatsvindt en dat er zich geen incidenten hebben voorgedaan. De vrouw heeft weliswaar, door de man bestreden, opgemerkt dat [minderjarige] enkele malen heeft verteld dat de man boos is geworden en daarbij tegen een kast heeft geslagen en een vaas kapot heeft gegooid, maar gesteld noch gebleken is dat [minderjarige] het (onbegeleide) contact als onplezierig heeft ervaren, dan wel dat er anderszins sprake is van omstandigheden waarom dit contact niet in het belang van [minderjarige] zou zijn.
Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat er nog zorgen zijn over-, althans onvoldoende zicht is op, onder meer, de opvoedvaardigheden van de man en zijn, samengevat, boosheid/agressieregulatie, maar de rechtbank is met de Raad van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] thans voldoende geborgd is. Daarbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat er toezicht plaatsvindt door de GI in het kader van een verlenging van de eerder uitgesproken ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Door de GI is op de zitting opgemerkt dat de samenwerking met man (en de vrouw) goed verloopt. Zowel de man als de vrouw hebben geen bezwaar gemaakt tegen de recent uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling.
De GI heeft daarnaast opgemerkt positieve signalen te ontvangen van de reclassering.
De man maakt stappen, conformeert zich aan afspraken en sinds juli 2024 zijn alle middelentesten negatief. Beide partijen hebben verder ter zitting ingestemd met het door de GI genoemde traject bij [zorgorganisatie] . In dit traject zal, in ieder geval, aandacht worden besteed aan de oudercommunicatie, zal er opvoedondersteuning voor de man komen en zal er gekeken worden wat [minderjarige] zelf aan hulp nodig heeft. De man heeft tot slot opgemerkt bereid te zijn om met de GI het verloop van zijn therapie te delen, mits daarbij voldoende recht wordt gedaan aan zijn privacy. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de mogelijke zorgen voldoende geborgd zijn en dat er voldoende zicht is op de veiligheid en de belangen van [minderjarige] zodat tijdig kan worden ingegrepen indien de veiligheid van [minderjarige] in het geding is. Begeleide omgang is daarbij niet noodzakelijk. Daarbij neemt de rechtbank aanvullend nog in aanmerking dat niet in geschil is dat de overnachtingen voorlopig nog bij grootouders vaderszijde zullen plaatsvinden, totdat de man de voormalige ‘echtelijke’ woning kan betrekken. Gelet op hetgeen partijen hierover zijn overeengekomen, zie hierna, zal dit niet (veel) eerder zijn dan september 2026. Verwacht mag worden dat tegen die tijd het traject bij [zorgorganisatie] is opgestart.
4.17 wel of geen opbouw Wat een eventuele opbouw naar de uiteindelijke zorgregeling betreft, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat [minderjarige] nog nooit alleen bij de man heeft geslapen. De rechtbank heeft verder begrepen dat tot op heden [minderjarige] tijdens de vakanties volgens de huidige reguliere regeling bij de man verbleef en derhalve nog nooit gedurende langere tijd tijdens vakanties. Tegen deze achtergrond kan de rechtbank zich voorstellen dat er, in het belang van [minderjarige] , een opbouw in het overnachten en in de uitbreiding tijdens de vakanties moet plaatsvinden. Hoe deze opbouw eruit moet zien zal ook afhangen van de draagkracht van [minderjarige] . Omdat de rechtbank hier onvoldoende zicht op heeft, zal de rechtbank bepalen dat de uitbreiding van de zorgregeling, voor zover het de overnachtingen en de vakanties betreft, onder regie van de GI zal worden bepaald.
4.18 De slotsom luidt dan dat de rechtbank een zorgregeling zal bepalen waarbij de man onbegeleide omgang heeft met [minderjarige] gedurende eenmaal in de 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur en in de andere week van vrijdag uit school tot zaterdagochtend 10.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties in overleg te bepalen en in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken en in de oneven jaren de laatste drie weken. Daarbij geldt dat de uitbreiding van de zorgregeling, voor zover het de overnachtingen bij de man en de uitbreiding tijdens de vakanties betreft, zullen worden bepaald onder regie van de GI.
Kinder- en partneralimentatie 4.19 Na een korte schorsing ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man ten behoeve van [minderjarige] te betalen kinderbijdrage, in die zin dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] betaalt aan de vrouw van € 413,= per maand met ingang van de datum van de beschikking.
Partijen zijn het er voorts over eens dat de man daarnaast geen draagkracht meer heeft voor een uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw, zodat haar verzoek ten aanzien van de partneralimentatie dient te worden afgewezen.
4.20 De rechtbank zal beslissen conform de overeenstemming van partijen. Omdat de rechtbank voorafgaand aan het sluiten van de zitting heeft aangekondigd uitspraak te doen op 4 maart 2026 en de rechtbank deze datum, buiten de schuld van partijen, niet heeft gehaald, zal de rechtbank de wijziging evenwel doen ingaan per 4 maart 2026.
Verdeling 4.21 Partijen hebben deels tijdens de zitting en deels tijdens genoemde schorsing overeenstemming bereikt over de verdeling van de partnerschapsgemeenschap. Zij hebben daarbij de volgende afspraken gemaakt:
4.21.1 Ieder der partijen behoudt zijn/haar kleding en lijfsieraden, zonder nadere verrekening.
4.21.2 De inboedel wordt tussen partijen, zonder nadere verrekening, verdeeld conform de door de man ingebrachte lijst die als productie 1 is overgelegd bij het verweerschrift met zelfstandig verzoek zorgregeling en verdeling, met dien verstande dat de vrouw daarnaast nog de koelkast krijgt toebedeeld, alsmede de kast van [minderjarige] .
4.21.3 Ieder der partijen behoudt de bankrekening die op zijn/haar naam staat. De vrouw dient in het kader van de verrekening van de saldi van die bankrekeningen (en de schenkingen die hebben plaatsgevonden op die bankrekeningen) een bedrag van € 2.500,= aan de man te betalen. Dit bedrag zal worden verrekend met de afrekening van haar aandeel in de overwaarde van de ‘echtelijke woning’.
4.21.4 De motor, partijen genoegzaam bekend, wordt toegedeeld aan de man, met de verplichting aan de man een bedrag van € 750,= aan de vrouw te voldoen wegens overbedeling.
4.21.5 Wat de woning aan [adres] betreft, zijn partijen overeengekomen dat deze onder, na te noemen, voorwaarden kan worden toegedeeld aan de man. Mocht de man de woning onder deze voorwaarden niet kunnen overnemen dan zal de woning verkocht moeten worden. Partijen zijn het er in dat (laatste) geval over eens dat het door de man verzochte ‘spoorboekje’ gevolgd kan worden. Meer specifiek zijn partijen voorts het volgende overeengekomen:
De rechtbank zal deze overeenstemming op uitdrukkelijk verzoek van partijen op na volgende wijze opnemen in het dictum.
5De beslissing De rechtbank 5.1 spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op [datum] 2018 te Rotterdam ;
5.2 bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019 zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
5.3 bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onbegeleid contact met elkaar hebben
5.4 bepaalt dat de man aan de vrouw, voor wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling, € 413,= per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, zulks met ingang van 4 maart 2026;
5.5 bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning aan het [adres] voort te zetten tot uiterlijk 1 september 2026;
5.6 gelast de wijze van verdeling van de partnerschapsgemeenschap als volgt:
5.6.1 kleding en lijfsieraden ieder der partijen behoudt zijn/haar kleding en lijfsieraden;
5.6.2 inboedel;
5.6.4 motor deelt toe aan de man de motor, partijen genoegzaam bekend, onder de verplichting aan de man een bedrag van € 750,= aan de vrouw te voldoen;
5.6.5 de woning aan [adres] De man krijgt na inschrijving van de onderhavige beschikking in de daartoe bestemde registers drie maanden de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning en de rechten en verplichtingen daarvan kan overnemen tegen de nader door partijen overeen te komen waarde ervan waarbij de man de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen en de man de helft van de overwaarde aan de vrouw zal voldoen, bestaande uit de overeen te komen waarde minus de hypothecaire geldleningen en rekening houdend met na te melden vergoedingsrecht van de man.
De hoogte van de bij de bepaling van de overwaarde in acht te nemen hypothecaire geldlening zal worden vastgesteld op een bedrag van € 110.538,40, met dien verstande dat voor zover de vrouw kan aantonen dat zij na de peildatum ook nog aflossingen op de hypothecaire geldlening heeft gedaan, deze aflossingen tussen partijen zullen worden verrekenend.
Aan de man komt een vergoedingsrecht ex artikel 1:87 BW toe, berekend volgens de formule: 102.010/230.000 x de overeen te komen waarde van de woning. Dit vergoedingsrecht zal worden verrekend met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde.
De man zal opdracht geven aan de heer [naam 2] om de actuele waarde van de woning in het economisch verkeer vast te stellen. Deze waarde is tussen partijen niet bindend. Partijen zullen vervolgens in onderling overleg bepalen tegen welke waarde de man de woning kan overnemen.
De hiermee gepaard gaande kosten van de makelaar zullen door partijen worden gedeeld in de verhouding ¾ van de kosten voor de man en ¼ van de kosten voor de vrouw.
Vanaf datum inschrijving van de onderhavige beschikking voldoet de vrouw alle lasten van de woning (de eigenaarslasten, gebruikerslasten en de aflossingen op de hypothecaire geldlening). Daar staat tegenover dat de vrouw geen gebruiksvergoeding aan de man verschuldigd is.
De vrouw mag tot uiterlijk 1 september 2026 in de woning verblijven bij uitsluiting van de man.
Indien de woning onder de hiervoor genoemde voorwaarden kan worden overgenomen, zal de woning uiterlijk 1 september 2026 aan de man worden geleverd, of zoveel eerder de woning aan de man geleverd kan worden. Vanaf het moment van levering van de woning aan de man voldoet de man alle aan de woning verbonden lasten als hiervoor bedoeld.
De kosten van de notariële levering aan de man komen volledig ten laste van de man.
Indien binnen of na verloop van de aangegeven termijn blijkt dat de man de woning niet onder genoemde voorwaarden kan overnemen, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde.
Indien de man de woning niet kan overnemen, zullen partijen in onderling overleg met de heer [naam 2] de vraagprijs bepalen, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt, de plaats en de kwaliteit van de woning.
Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een door de makelaar vast te stellen marktconforme vraagprijs.
Partijen zullen in overleg met de makelaar de woning verkopen aan degene die de hoogste prijs biedt en als er geen overeenstemming is tussen partijen dan bepaalt de makelaar die bindend de verkoopprijs.
Als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning.
De maximale leveringstermijn voor de verkoop bedraagt maximaal drie maanden na ondertekening van het verkoopcontract, tenzij partijen tezamen met de kopers een langere termijn afspreken.
Na verkoop moet met de verkoopopbrengst de totale hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald. Van de overwaarde ontvangt de man hetgeen er minder aan hypotheek is dan euro 110.538,45 en zijn investering te verhogen met de beleggingsleer.
Veroordeelt partijen om volledige medewerking aan de verkoop van de woning waarbij die medewerking zal bestaan uit:
5.8 wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter en tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Brouwer op 11 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..