Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:3119
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/6613 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar over de ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019 met [aanslagnummer] .
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep niet tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond?
3.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur na het instellen van beroep op 29 december 2025 uitspraak op bezwaar heeft gedaan en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan, ontvalt in de regel het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Echter, in dit geval blijft belang bij het beroep bestaan omdat de inspecteur de dwangsom nog niet heeft vastgesteld. De rechtbank zal het verzoek om een dwangsom onder 5. behandelen. Omdat de inspecteur niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, is het beroep kennelijk gegrond.
Is het beroep tegen het alsnog genomen besluit ontvankelijk en gegrond?
4.1.
De rechtbank overweegt dat, ondanks dat de aanslag reeds is verminderd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van nihil, het procesbelang ligt in de omvang van het restant aan persoonsgebonden aftrek dat na 2019 kan worden verrekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inspecteur het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit is ontvankelijk en gegrond.
4.2.
De inspecteur heeft de rechtbank verzocht de uitspraak op bezwaar te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien. De inspecteur is het met belanghebbende eens dat het box 3‑inkomen moet worden verminderd naar € 53. Het verzamelinkomen is dan als volgt opgebouwd:
Belastbaar inkomen uit werk en woning -/- € 4.418 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 0 Inkomen uit sparen en beleggen € 53 Verrekening persoonsgebonden aftrek -/- € 53 Verzamelinkomen -/- € 4.418 4.3.
De totaal te verrekenen persoonsgebonden aftrek bedraagt € 3.377 (€ 2.319 zorgkosten 2019 + € 1.058 restant voorgaande jaren). Van deze aftrek wordt € 53 verrekend met het inkomen uit sparen en beleggen. Het restant persoonsgeboden aftrek dat nog kan worden verrekend in de volgende jaren moet derhalve worden vastgesteld op € 3.324.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
5.1.
Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442.
Conclusie en gevolgen 6. Het beroep niet tijdig beslissen is gegrond. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 1.442. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 29 december 2025 is ook gegrond. De rechtbank vernietigt deze uitspraak op bezwaar en voorziet zelf in de zaak.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Niet aannemelijk is dat belanghebbende proceskosten heeft gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Volgens artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) komen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de door gemachtigde gegeven bijstand kosteloos is. Nu belanghebbende niet hoeft te betalen voor de werkzaamheden van de gemachtigde is er geen sprake van kosten die vergoed kunnen worden.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 29 december 2025 gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 29 december 2025; handhaaft het verzamelinkomen op de aanslag IB/PVV 2019 van -/- € 4.818 zoals dat is vastgesteld bij beschikking van 13 april 2023; wijzigt de voor het jaar 2019 afgegeven beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek in volgende jaren naar een bedrag van € 3.324; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar; stelt de door de inspecteur te betalen dwangsom vast op € 1.442; bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb.
Dit staat in artikel 6:20 van de Awb.
Dit staat in artikel 4:17, zesde lid onder c van de Awb.
Op grond van artikel 8:55c van de Awb.