← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:320

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/1633, 24/5727 en 25/5171 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding

  1. De inspecteur heeft met dagtekening 9 mei 2023 belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2022 (IB/PVV 2022) met [aanslagnummer] (de voorlopige aanslag) gestuurd. 1.
  2. Belanghebbende heeft met dagtekening 9 mei 2023, ontvangen door de inspecteur op 12 mei 2023, verzocht om herziening van de voorlopige aanslag. 1.
  3. Belanghebbende heeft op 22 december 2023 de inspecteur in gebreke gesteld en op 14 februari 2024 beroep ingesteld, wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 24/
  4. 1.
  5. De inspecteur heeft met dagtekening 20 februari 2024 het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag afgewezen en met dagtekening 9 april 2024 een dwangsombeschikking genomen. 1.
  6. De rechtbank heeft met dagtekening 27 februari 2024 abusievelijk het beroepschrift doorgezonden als bezwaarschrift. Belanghebbende heeft met dagtekening 15 april 2024, ontvangen door de inspecteur op 16 april 2024, bezwaar gemaakt tegen de afwijzingsbeslissing van 20 februari
  7. 1.
  8. Belanghebbende heeft met dagtekening 10 juli 2024 de inspecteur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. 1.
  9. De inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2024 een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende gezonden en met dagtekening 24 juli 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. 1.
  10. Belanghebbende heeft op 26 juli 2024 beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 24/
  11. 1.
  12. Belanghebbende heeft op 5 maart 2025 opnieuw een aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Belanghebbende heeft op 11 augustus 2025 de inspecteur in gebreke gesteld en op 8 oktober 2025 beroep ingesteld, omdat de inspecteur volgens hem niet heeft beslist op dit verzoek om herziening. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/
  13. 1.
  14. De rechtbank verklaart het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om herziening van 9 mei 2023 kennelijk niet-ontvankelijk. Ook het beroep wegens het uitblijven van een beslissing naar aanleiding van de aangifte van 5 maart 2025 is kennelijk niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 is kennelijk gegrond. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Beoordeling door de rechtbank Verzoek om herziening 9 mei 2023 (BRE 24/1633)
  15. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur na het instellen van het beroep alsnog een beslissing op het verzoek heeft genomen. Nu alsnog een beslissing en dwangsombeschikking zijn genomen, waarbij de maximale dwangsom aan belanghebbende is toegekend, ontvalt het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 2.
  16. Omdat de beslissing genomen is na het instellen van het beroep moet de inspecteur in beginsel het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Het griffierecht is echter met de abusievelijke doorzending van het beroepschrift als bezwaarschrift terugbetaald aan belanghebbende. Belanghebbende heeft voor deze zaak dan ook geen griffierecht voldaan. Uitspraak op bezwaar 24 juli 2024 (BRE 24/5727)
  17. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, omdat de inspecteur onder meer het hoorrecht heeft geschonden. Belanghebbende verzoekt om een dwangsom en een proceskostenveroordeling. 3.
  18. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat niet valt uit te sluiten dat de vooraankondiging met dagtekening (vrijdag) 19 juli 2024 eerst op (woensdag) 24 juli 2024 is ontvangen, in welk geval het voor belanghebbende onmogelijk was nog tijdig te reageren. Door het doen van uitspraak op bezwaar op 24 juli 2024 is belanghebbende een reële mogelijkheid ontnomen om gebruik te kunnen maken van zijn hoorrecht. 3.
  19. De rechtbank is van oordeel dat het hoorrecht in deze procedure inderdaad is geschonden. Zoals de inspecteur zelf ook aangeeft, is belanghebbende de reële mogelijkheid ontnomen om gebruik te kunnen maken van zijn hoorrecht. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en de inspecteur opdragen alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Er bestaat geen recht op toekenning van een dwangsom. De inspecteur heeft op 24 juli 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en dat is binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling. Aangifte van 5 maart 2025 (BRE 25/5171)
  20. De rechtbank stelt vast dat de procedure over het eerste verzoek om herziening van de voorlopige aanslag van 9 mei 2023 nog niet is afgerond. De inspecteur moet immers nog uitspraak op bezwaar doen. De aangifte van 5 maart 2025 moet dan ook worden gezien als een aanvulling op het bezwaarschrift en niet als op zichzelf staand verzoek om herziening van de voorlopige aanslag IB/PVV
  21. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van belanghebbende. Het beroep is niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen
  22. Het beroep wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag van 9 mei 2023 is niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang is komen te vervallen. Het door belanghebbende betaalde griffierecht is aan belanghebbende terugbetaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de inspecteur voor dit beroep op te dragen het griffierecht te vergoeden. 5.
  23. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 is gegrond, omdat de inspecteur het hoorrecht heeft geschonden. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De inspecteur moet alsnog inhoudelijk op het bezwaar beslissen. Omdat het beroep gegrond is krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht. 5.
  24. Het beroep wegens niet tijdig beslissen naar aanleiding van de aangifte van 5 maart 2025 is niet-ontvankelijk, omdat het verzoek om herziening van 9 mei 2023 over de nog niet is afgerond. De rechtbank draagt de inspecteur op de aangifte van 5 maart 2025 in behandeling te nemen als een aanvulling op het bezwaar tegen de afwijzingsbeslissing van 20 februari
  25. 5.
  26. Belanghebbende heeft verzocht om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten. Belanghebbende heeft echter voor de beroepsfase geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag van 9 mei 2023 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024; draagt de inspecteur op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag van 5 maart 2025 niet-ontvankelijk; draagt de inspecteur op de aangifte van 5 maart 2025 in behandeling te nemen als een aanvulling op het bezwaar tegen de afwijzingsbeslissing van 20 februari 2024; wijst de verzoeken om een dwangsom af; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51,- voor de beroepsprocedure BRE 24 / 5727 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.