Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:3205
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443909 / JE RK 26-54 Datum uitspraak: 20 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting in de zaak van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Enschede, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, gemachtigde mr. M.W.F. van Wijk uit Helmond.
De kinderrechter merkt aan als informant: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten 2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en zijn uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 4 augustus 2026.
3Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI voor zover het betreft de aanmelding bij een onderwijsinstelling en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast te bevelen dat deze gedeeltelijke gezagstoekenning zal worden aangetekend in het gezagsregister.
4De standpunten 4.1. [minderjarige] moet worden ingeschreven op een middelbare school. [minderjarige] heeft de voorkeur voor [middelbare school] in [plaats 1] of [plaats 2]. De GI heeft meermalen contact gehad met de vader in december 2025 en januari 2026 met het verzoek om toestemming te verlenen. Daar is niet, althans niet bevestigend op gereageerd. De GI handhaaft het verzoek. De GI is bereid om met vader in gesprek te gaan over de samenwerking.
4.2.
De vader heeft ter zitting alsnog zijn toestemming verleend om [minderjarige] op de middelbare school in te schrijven. De vader betreurt het dat de samenwerking met de GI niet goed is en wil graag face to face contact met de jeugdzorgwerker om de situatie te bespreken.
5De beoordeling De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat het gezag van de vader over [minderjarige] gedeeltelijk wordt beperkt en in plaats daarvan wordt uitgeoefend door de GI. De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom toewijzen. De vader geeft weliswaar toestemming en wil het daartoe benodigde formulier ondertekenen, echter gelet op de aflopende inschrijftermijn, zijnde 25 maart 2026 is deze tijd er niet, waardoor alsnog een gerechtelijke beslissing nodig is. Deze beslissing geldt voor de duur van de uithuisplaatsing, dus tot 4 augustus 2026 (artikel 1:265e Burgerlijk Wetboek). Ook geldt de gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI alleen voor de toestemming voor de aanmelding van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling (te weten, bij [middelbare school] in [plaats 1] of [plaats 2]). [minderjarige] woont op dit moment in een gezinshuis in de regio van [middelbare school]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] niet de dupe wordt van slechte samenwerkingsrelatie tussen de vader en de GI. De kinderrechter zal dan ook bepalen dat het verzoek van de GI wordt toegewezen zodat [minderjarige] zo snel als mogelijk kan worden ingeschreven op de middelbare school in zijn huidige woonplaats.
5.1.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Een apart verzoek daarvoor is niet nodig. Daarom wijst de kinderrechter dat verzoek af.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing De kinderrechter:
6.1. belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met het gezag over [minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, zijnde [middelbare school] in [plaats 1] of [plaats 2] tot 4 augustus 2026;
6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.