RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11908501 \ CV EXPL 25-3322 Vonnis van 7 januari 2026 in de zaak van DE VERENINGING MET VOLLEDIGE RECHTSBEVOEGDHEID [eisende partij] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde partij] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 september 2025 met producties;- het mondeling antwoord;- de conclusie van repliek met productie;- de mondelinge toelichting. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde partij] heeft zich op 6 mei 2016 ingeschreven als lid van [eisende partij] . 2.
- Als lid van [eisende partij] is [gedaagde partij] verplicht om zich te houden aan de bepalingen van de statuten, het huishoudelijk reglement en de besluiten van de algemene ledenvergadering. Daarnaast is [gedaagde partij] verplicht om jaarlijks contributie en liggeld te betalen voor het lopende verenigingsjaar. Ook dient hij jaarlijks het door de algemene ledenvergadering vastgestelde aantal werkuren te maken. 3Het geschil 3.
- [eisende partij] vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.383,32 aan hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.099,58 vanaf 9 september 2025 tot aan de volledige dag van betaling. Daarnaast vordert [eisende partij] dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis. 3.
- [eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit het lidmaatschap van haar vereniging. In 2023 heeft [gedaagde partij] niet de verplichte werkuren gemaakt, waarna [eisende partij] (in lijn met haar huishoudelijk reglement) een factuur heeft verstuurd voor de vergoeding die hij daardoor verschuldigd is. Verder heeft [gedaagde partij] nagelaten om de verschuldigde contributie en het liggeld over het jaar 2024 te voldoen. 3.
- [gedaagde partij] is het niet eens met de vordering. Na een voorval met het uit het water halen van zijn boot heeft hij zijn lidmaatschap van [eisende partij] mondeling opgezegd. Hij is daarom geen contributie, liggeld en vergoeding van niet-verrichte werkuren meer verschuldigd. [gedaagde partij] maakte bovendien slechts eens in de vijf jaar gebruik van zijn ligplaats, als hij noodzakelijk onderhoud moest uitvoeren aan zijn boot. De rest van de tijd lag zijn boot ergens anders. Hij hoefde daarom ook nooit werkuren uit te voeren. Verder staat de gevorderde vergoeding niet in verhouding tot het aantal verplichte werkuren
(8). 4De beoordeling Facturen waarvan betaling wordt gevorderd 4.
- [eisende partij] vordert in deze procedure betaling van de volgende twee facturen: Factuur 2023092 van 28 december 2023 van € 598,83 voor vergoeding van niet-verrichte werkuren, hellinggeld en elektriciteit over het jaar 2023; Factuur 2024021 van 12 januari 2024 van € 500,75 voor de contributie en het liggeld over het jaar
- 4.
- [gedaagde partij] heeft deze facturen niet voldaan. Beëindiging van het lidmaatschap 4.
- De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagde partij] zo dat hij zijn lidmaatschap vóór 2023 mondeling heeft opgezegd en dat hij de hiervoor genoemde facturen, die zien op de jaren 2023 en 2024, daarom niet hoeft te betalen. Dit verweer slaagt niet, omdat een mondelinge opzegging op grond van artikel 8 van de statuten (en artikel 3 van het huishoudelijk reglement) van [eisende partij] niet volstaat om het lidmaatschap te beëindigen. Daarin is namelijk bepaald dat een lid zijn of haar lidmaatschap kan beëindigen door een schriftelijke kennisgeving daarvan aan de secretaris, met inachtneming van een termijn van één maand voor het verstrijken van het verenigingsjaar. Los van de vraag of [gedaagde partij] zijn lidmaatschap daadwerkelijk mondeling heeft opgezegd ( [eisende partij] betwist dat namelijk), is een dergelijke opzegging dus niet rechtsgeldig. 4.
- Wegens het uitblijven van de betaling van de facturen heeft het bestuur van [eisende partij] het lidmaatschap van [gedaagde partij] bij brief van 1 augustus 2025 met ingang van diezelfde datum geroyeerd. Deze beëindiging is in overeenstemming met het derde lid van artikel 8 van de statuten. [gedaagde partij] heeft dit niet weersproken. 4.
- Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat [gedaagde partij] in 2023 en 2024 nog steeds lid was van [eisende partij] . In die periode diende [gedaagde partij] zich dan ook aan de verplichtingen te houden die uit dat lidmaatschap voortvloeien. Vergoeding van niet-verrichte werkuren 4.
- Voor zover van belang, is hierover in artikel 22 van het huishoudelijk reglement van [eisende partij] het volgende bepaald: “ Artikel
- Werkuren
- Ieder jaar zal bepaald worden hoeveel werkuren gemaakt moeten worden door de leden in het verenigingsjaar. Daartoe zal op algemene jaarlijkse ledenvergadering een voorstel door het bestuur worden ingediend. Alle leden zijn verplicht om deze werkuren te maken. Betalen of afkopen is niet mogelijk.
- Indien een lid, zijn uren in de vastgestelde periode niet maakt, wordt á € 36,- per uur over de niet gewerkte uren door berekend aan het lid.
- Het lid krijgt dertig kalenderdagen na dagtekening van de nota, de tijd om nota te betalen en alsnog de niet gemaakte uren te werken. Indien de rekening niet wordt voldaan en de uren niet gemaakt worden volgt een royement als lid. (…)” 4.
- Hoewel [gedaagde partij] zijn ligplaats naar eigen zeggen vrijwel nooit gebruikte, volgt uit dit artikel niet dat hij om die reden was vrijgesteld van zijn verplichting om de werkuren te verrichten. [eisende partij] heeft bovendien weersproken dat hij een dergelijke vrijstelling (mondeling dan wel schriftelijk) toegezegd heeft gekregen. Het had op de weg van [gedaagde partij] gelegen om die toezegging nader te onderbouwen, maar dit heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat er daarom in rechte van uit dat deze verplichting ook voor hem gold. Dit betekent dat hij een vergoeding verschuldigd is. 4.
- [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de gevorderde vergoeding onredelijk hoog is. [eisende partij] vordert namelijk een vergoeding voor 15 werkuren, terwijl hij maar 8 uren per jaar hoefde te werken. Hiermee heeft hij de vordering van [eisende partij] wegens niet-verrichte werkuren voldoende gemotiveerd weersproken voor zover die ziet op meer dan 8 uren. Nu [eisende partij] ter nadere onderbouwing van haar standpunt bijvoorbeeld geen besluit van de algemene ledenvergadering heeft overgelegd, zal de kantonrechter de op grond van artikel 22 lid 2 van het huishoudelijk reglement door [gedaagde partij] te betalen vergoeding beperken tot € 288,
- Het overige deel van de gevorderde vergoeding van niet-verrichte werkuren wordt afgewezen. Hellinggeld en vergoeding voor elektriciteit 4.
- Het gevorderde hellinggeld en de vergoeding voor elektriciteit over het jaar 2023 van in totaal € 58,83 (inclusief btw) zijn verder niet weersproken en zullen worden toegewezen. Contributie en liggeld 4.
- Niet is gebleken dat [eisende partij] [gedaagde partij] heeft vrijgesteld van zijn verplichting om in 2024 de verschuldigde contributie en het liggeld te betalen. De hoogte daarvan wordt niet weersproken, zodat het bedrag van € 500,75 zal worden toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 4.
- [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering voldoet aan de geldende eisen uit artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De toegewezen hoofdsom bedraagt € 847,
- Het tarief dat daar volgens het Besluit bij hoort, is € 127,
- De kantonrechter wijst dat bedrag toe. Wettelijke rente 4.
- [gedaagde partij] heeft de facturen niet betaald binnen de termijnen die daarvoor in het huishoudelijk reglement zijn bepaald en verkeert dus in verzuim. [eisende partij] maakt daarom aanspraak op de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW. De kantonrechter wijst de gevorderde wettelijke rente toe zoals hierna onder de beslissing wordt vermeld. Proceskosten 4.
- [gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 120,78 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 970,78 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.093,52 aan hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en rente, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 847,58 vanaf 9 september 2025, tot aan de dag van volledige betaling; 5.
- veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] vastgesteld op € 970,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.
- veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Kool en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.