ECLI:NL:RBZWB:2026:3581
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/424472 / FA RK 24-3188 datum uitspraak: 31 maart 2026 beschikking over vaststelling omgang, gezamenlijk gezag en vervangende toestemming erkenning in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [plaats] , advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling in Goes, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [plaats] , advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen in Goes, over de minderjarigen:
Ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt als belanghebbende in deze aangemerkt:
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
Informant in deze procedure is: de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg.
1Het procesverloop 1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
Na de zitting zijn ontvangen: het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026; de brief van de GI van 19 januari 2026; het bericht van mr. Breewel-Witteveen van 19 februari 2026, met bijlage.
1.2.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 1 december 2025, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling, bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/440648 / JE RK 25-1817 en met het verzoek van de GI tot vaststelling van een omgangsregeling, bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/440975 / JE RK 25-1878 . Bij die behandeling is gekomen de man, met zijn advocaat, alsmede de vrouw. Ook waren aanwezig de bijzondere curator, twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.3.
Voor deze zitting heeft de rechtbank gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de verzoeken.
2De feiten 2.1.
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geboren.
2.2.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.3.
De man heeft [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] erkend.
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over de minderjarigen.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van 16 juli 2024 hebben partijen afspraken gemaakt over een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen en zijn partijen veroordeeld tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken. Eveneens is bij dit vonnis de Raad de opdracht gegeven een onderzoek te starten ten behoeve van onderhavige procedure.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 12 juni 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 12 juni 2025 tot 12 december 2025. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 december 2026.
2.7.
Bij beschikking van 1 december 2025 is een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 4] vastgesteld die inhoudt:
3De verzoeken en de standpunten 3.1.
De vrouw verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen, dat de man een keer in de veertien dagen van vrijdagavond t/m zondagavond omgang heeft met de kinderen dan wel subsidiair een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist acht.
3.2.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De man verzoekt zelfstandig:
3.3.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling 4.1.
Door en namens de vrouw is in het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht.
De man heeft de jongste drie kinderen erkend, maar oefent niet het gezag over hen uit. De man heeft [minderjarige 1] niet erkend. Tijdens de relatie van partijen deed de vrouw alles voor de kinderen. Partijen hadden afspraken gemaakt over omgang tussen de man en de kinderen maar de verstandhouding tussen partijen is steeds slechter gaan lopen. De man belast de kinderen met volwassenzaken. [minderjarige 1] zit op het speciaal onderwijs, heeft dyslexie en er is een vermoeden van autisme. Hulpverlening van het CJG en SMWO is betrokken. De vrouw is aangemeld bij [hulpverlening] voor traumabehandeling na een agressieve relatie en krijgt hulp van [ggz begeleiding] . Er moet duidelijkheid over de omgang tussen de man en de kinderen komen. Uit een netwerkgesprek met [zorginstelling] op 13 juni 2024 is gevolgd dat er voorlopig geen omgang tussen de man en de kinderen plaatsvindt. De vrouw wil toewerken naar een omgangsregeling van eens in de twee weken een weekend.
4.2.
Door en namens de man is in het verweerschrift aangevoerd dat de man [minderjarige 1] alsnog graag wil erkennen maar de vrouw daar niet aan meewerkt omdat ze niet wil dat [minderjarige 1] de achternaam van de man krijgt. De man is tijdens de relatie wel degelijk actief geweest in de verzorging en opvoeding van de kinderen en partijen hebben altijd invulling gegeven aan de verzorging en opvoeding van de kinderen alsof ze met het gezamenlijk gezag waren belast. De vrouw is niet bereid samen met de man een aantekening te laten maken in het gezagsregister dus de man verzoekt de rechtbank hem mede met het gezag te belasten. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken en gezamenlijk gezag is ook anderszins niet in strijd met de belangen van de kinderen. Na het vonnis in kort geding van 16 juli 2024 is de verstandhouding tussen partijen verbeterd en ziet de man de kinderen ook meer. Tijdens de zitting is door en namens de man verklaard dat partijen inmiddels het gezamenlijk gezag over [minderjarige 4] hebben laten aantekenen in het gezagsregister en dat de man om die reden zijn verzoek hieromtrent intrekt.
4.3.
In diens rapport van 19 mei 2025 adviseert de Raad een voorlopige omgangsregeling vast te stellen die er als volgt uitziet en waarbij er omgang tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt:
In overleg tussen ouders en afhankelijk van het werk van de vrouw, kan hierin enigszins worden afgeweken, bijvoorbeeld dat de kinderen van woensdag op donderdag bij de man kunnen blijven slapen. De Raad adviseert de rechtbank om de GI te vragen om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor co-ouderschap of welke definitieve regeling anderszins passend is.
4.4.
In het verslag van 20 november 2025 voert de bijzondere curator aan dat de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige 4] inmiddels hebben laten aantekenen in het gezagsregister. Voor de andere kinderen moet dit nog gebeuren. Beide ouders staan inmiddels achter de erkenning van [minderjarige 1] door de man. De bijzondere curator acht dit ook in het belang van [minderjarige 1] . Mocht het de ouders niet lukken de erkenning in onderling overleg te regelen dan adviseert de bijzondere curator het verzoek van de man daartoe toe te wijzen.
Vervangende toestemming erkenning en gezag 4.5.
Uit het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026 blijkt dat partijen de erkenning door de man van [minderjarige 1] in onderling overleg hebben geregeld. Uit de door mr. Breewel-Witteveen op 16 februari 2026 overgelegde geboorteakte van [minderjarige 1] blijkt ook van de erkenning van [minderjarige 1] door de man. Partijen hebben voor [minderjarige 1] gekozen voor de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de man] en hebben geen keuze gemaakt in het gezag omtrent [minderjarige 1] . Dit betekent dat de man en de vrouw naar aanleiding van de erkenning van [minderjarige 1] door de man gezamenlijk met het gezag over hem zijn belast. Gelet hierop heeft de man geen belang meer bij zijn verzoeken omtrent het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige 1] en tot het belasten van hem met het gezag over [minderjarige 1] , in die zin dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw het gezag over [minderjarige 1] uitoefent. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
4.6.
Uit het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026 blijkt dat partijen inmiddels in het gezagsregister hebben laten aantekenen dat zij gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn belast. De man heeft dan ook geen belang meer bij deze verzoeken. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
Vaststelling zorgregeling 4.7.
Nu partijen gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen zijn belast merkt de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling aan als een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
4.8.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder of de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
4.9.
De rechtbank oordeelt als volgt. Bij beschikking van 1 december 2025 heeft de rechtbank de volgende zorg- c.q. omgangsregeling vastgelegd:
Nu er bij beschikking van 1 december 2025 al een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen is vastgelegd heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek tot vastlegging van een zorgregeling in deze procedure. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.
Beëindiging taak van de bijzondere curator 4.10.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen ter zake van de erkenning, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de verzoeken af;
5.2. beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.