Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:4252
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/2487 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] verzoekster (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college (gemachtigde: [gemachtigde 2] ).
Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het besluit van het college van 21 april 2026 om aan verzoekster een last onder dwangsom op te leggen (bestreden besluit).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het college heeft op 21 april 2026 een last onder dwangsom opgelegd om uiterlijk op 28 april 2026 informatie te verstrekken over het gemeentelijk monument aan de [adres] . Specifiek vraagt het college om gegevens over de uitgevoerde werkzaamheden, een overzicht van de (verwijderde) materialen, een beschrijving van de huidige staat van het monument en een toelichting of verzoekster voornemens is om herstelwerkzaamheden uit te voeren met een plan van aanpak. In het bestreden besluit staat dat indien verzoekster niet tijdig of volledig aan de vordering voldoet, dat zij een dwangsom verbeurt van € 500,- ineens.
De voorzieningenrechter concludeert daarom dat het schorsen van het bestreden besluit niet kan voorkomen dat (meer) dwangsommen verbeuren. Daarom is geen sprake van spoedeisend belang. Ten overvloede ziet de voorzieningenrechter naar zijn voorlopig oordeel geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De begunstigingstermijn is kort, maar het college heeft al eerder gevorderd de gegevens te verstrekken in het voornemen van 31 maart 2026. Gelet op de gevorderde gegevens acht de voorzieningenrechter het kunnen voldoen aan het gevorderde binnen de begunstigingstermijn niet bij voorbaat onmogelijk.
4.1.
Voor zover verzoekster met haar verzoek heeft beoogd om te voorkomen dat invorderingsmaatregelen worden genomen, overweegt de voorzieningenrechter dat niet gebleken is dat het college tot invordering is overgegaan. Als het college alsnog een invorderingsbesluit neemt, dan kan verzoekster daartegen een rechtsmiddel aanwenden.
Conclusie en gevolgen 5. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Het college heeft dit besluit genomen op grond van artikel 5:16 en 5:17, in samenhang met artikel 5:20 van de Awb.