Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:4665
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 12028320 \ CV EXPL 25-6635 Vonnis van 27 mei 2026 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht DE VENNOOTSCHAP NAAR DUITS RECHT LASALLE INVESTMENT MANAGEMENT KAPITALVERWALTUNGSGESELLSCHAFT GMBH, te München, eisende partij, hierna te noemen: LaSalle Investment, gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard, Tegen [huurder] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [huurder] , procederend in persoon.
1De zaak in het kort Deze zaak gaat over de vraag of de huurovereenkomst tussen verhuurder LaSalle Investment en huurder [huurder] moet worden ontbonden vanwege een huurachterstand en of [huurder] daarom de huurwoning moet verlaten. Partijen hebben gevraagd om een voorwaardelijk vonnis met hierin de afspraken die partijen hebben gemaakt.
2De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit:
2.1.
Daarna heeft de kantonrechter een vonnisdatum bepaald.
3De feiten 3.1.
LaSalle Investment verhuurt met ingang van 1 augustus 2023 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 891,52 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
3.2. [huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. LaSalle Investment heeft [huurder] aangemaand op 15 augustus 2025 om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
3.3.
LaSalle Investment heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. LaSalle Investment heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroeg signalering.
4De beoordeling Internationale bevoegdheid en toe te passen recht 4.1.
Nu LaSalle Investment gevestigd is in Duitsland, draagt de onderhavige procedure een internationaal karakter. Allereerst moet daarom de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 24 lid 1 van de in deze toepasselijke Verordening (EG) nr. 1215/2012. De Nederlandse rechter is bevoegd, omdat het gehuurde in Nederland gelegen is.
4.2.
Naast de vraag welke rechter bevoegd is dient te worden beoordeeld welk recht van toepassing is op de gesloten overeenkomst. De kantonrechter moet namelijk op grond van artikel 10:2 van het Burgerlijk Wetboek ambtshalve de regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht toepassen. Gelet op artikel 4 van de Verordening (EU) nr. 593/2008 is op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing.
Voorwaardelijke ontbinding 4.3.
Na bespreking van de zaak verklaren partijen het eens te zijn geworden over het volgende:
4.4.
LaSalle Investment wijzigt haar vordering tot hetgeen [huurder] krachtens deze afspraken verschuldigd is en verzoekt de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. [huurder] verzet zich niet tegen toewijzing van de gewijzigde vordering.
4.5.
Gehoord de standpunten van partijen, overweegt de kantonrechter dat de onvoldoende betwiste vorderingen, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd, toewijsbaar zijn, met inachtneming van het volgende.
4.6.
Voor zover de overeenkomst wordt ontbonden doordat één van de voorwaarden intreedt, zal de ontruimingstermijn worden bepaald op veertien dagen. Hierbij wordt overwogen, dat [huurder] , indien zij door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn tot ontruiming van het gehuurde over te gaan, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn wordt gezien.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Dat is in de zaak van [huurder] niet aan de orde. Weliswaar heeft haar minderjarige kind een tijdlang bij haar verbleven, maar momenteel verblijft het kind bij de vader op een ander adres. Het belang van het minderjarige kind van [huurder] staat de (voorwaardelijke) ontbinding van de huurovereenkomst daarom niet in de weg.
Machtiging tot ontruiming 4.8.
Verder ziet de kantonrechter geen grond om de gevorderde machtiging van LaSalle Investment om de ontruiming zelf uit te (doen) voeren, desnoods met inroeping van politie en/of justitie, toe te wijzen. Deze wijze van ontruiming berust namelijk niet op de wet. Artikel 556 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. In strijd met die regel is dat de kantonrechter LaSalle Investment toch zou machtigen om zelf de ontruiming te laten uitvoeren. De deurwaarder zelf heeft geen rechterlijke machtiging nodig om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent de deurwaarder rechtstreeks uit de wet.
Gebruiksvergoeding 4.9.
Een bedrag van € 891,52 per maand (behoudens huurverhogingen) zal als gebruiksvergoeding worden toegewezen voor elke maand of gedeelte daarvan dat [huurder] vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen.
Verder geen oneerlijke bepalingen 4.10.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. De bij dagvaarding gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente zijn door LaSalle Investment ter zitting ingetrokken.
Proceskosten 4.11. [huurder] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten zoals hiervoor onder 4.3. c) vastgesteld.
Uitvoerbaar bij voorraad 4.12.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [huurder] om aan LaSalle Investment te betalen een bedrag van € 4.158,64 bestaande uit achterstallige huur tot en met de maand mei 2026 en proceskosten, 5.2. veroordeelt [huurder] om aan LaSalle Investment te betalen een bedrag van € 891,52 per maand, voor iedere ingegane maand vanaf 1 juni 2026 tot het tijdstip van ontbinding van de huurovereenkomst en een bedrag € 891,52 per maand voor iedere ingegane maand na de ontbinding van de huurovereenkomst tot de feitelijke ontruiming van het gehuurde, 5.3. ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde (de woning met aan- en toebehoren), staande en gelegen te [adres] en veroordeelt [huurder] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met al zijn spullen en alle gebruikers van de woning (die geen medebewoners zijn) te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van LaSalle Investment te stellen, indien en zodra [huurder] zich niet houdt aan tenminste één van de volgende afspraken:
5.4. verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.