← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:485

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/415268 / FA RK 23-4996 Datum uitspraak: 9 januari 2026 nadere beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man] , hierna te noemen de man, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. J.C. Hissink uit Tilburg, en [de vrouw] , hierna te noemen de vrouw, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M.A.P. Kolsteren-van Heijst uit Hulten. over de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , - [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren. 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 4 april 2025 en alle daarin genoemde stukken; - het rapport van de Raad van 25 november 2025, ontvangen op 26 november
  2. 1.
  3. Op 9 januari 2026 heeft de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.
  4. Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad in de zaak met kenmerk: C/02/442310 / JE RK 25-
  5. In die zaak wordt bij aparte beschikking beslist. 1.
  6. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
  7. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.
  8. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de man. 2.
  9. Bij beschikking van 9 juli 2024 heeft de rechtbank het volgende, samengevat, bepaald: Er is een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen zorgregeling) bepaald - na overeenstemming van partijen - tussen de vrouw en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , kort gezegd: eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot maandag naar school en een ‘één-op-één’ contact doordeweeks, in die zin in de ene week op donderdag na school tot vrijdag naar school met [minderjarige 2] en in de andere week op donderdag na school tot vrijdag naar school met [minderjarige 1] , alsmede een verdeling van de zomervakantie
  10. De behandeling van de zaak is aangehouden tot 10 december 2024 pro forma, in afwachting van bericht van partijen over de verzoeken inzake de zorgregeling, met toezending van het rapport van Sterk Huis aan de rechtbank. 2.
  11. Bij beschikking van 4 april 2025 heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen: In hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? Welke vorm van contact met de vrouw komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? Zijn er contra-indicaties voor een zorgregeling en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 2.
  12. De behandeling van de verzoeken inzake een definitieve beslissing over de zorgregeling is aangehouden tot 12 september 2025 pro forma in afwachting van het rapport van de Raad. 3De nog voorliggende verzoeken 3.
  13. De man verzoekt, samengevat: nadere vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarigen; de vrouw te veroordelen in de proceskosten. 3.
  14. De vrouw heeft oorspronkelijk verzocht, samengevat, nadere vaststelling van een zorgregeling, namelijk een co-ouderschapsregeling met als wisselmoment zondag 19:30 uur en een verdeling van de feestdagen en vakanties dan wel een regeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen. 3.
  15. In haar aanvullend c.q. gewijzigd verzoek van 10 maart 2025 verzoekt de vrouw de bij beschikking van 9 juli 2024 vastgelegde zorgregeling tussen haar en de minderjarigen te schorsen. 4De standpunten 4.
  16. De Raad adviseert, samengevat, als volgt. Een wijziging van de zorgregeling is noodzakelijk, omdat er nu al ruim negen maanden geen contact meer is tussen de vrouw en de kinderen. De eerdere zorgregeling, zoals die tot februari 2025 gold — namelijk eenmaal per twee weken een weekend en een één-op-één moment tussen vrouw en de kinderen — wordt al lange tijd niet meer uitgevoerd. Zowel de kinderen als de vrouw zien op dit moment geen mogelijkheden om een zorgregeling uit te voeren. De kinderen geven aan geen contact met hun moeder te willen. [minderjarige 1] geeft aan dat hij zich eerst op school wil richten en pas in of na de zomervakantie kan nadenken over eventueel contactherstel. [minderjarige 2] geeft aan helemaal geen contact meer te willen hebben met zijn moeder. Ook de vrouw heeft momenteel geen mogelijkheden om een zorgregeling uit te voeren. De Raad is van mening dat er hulpverlening nodig is om te werken aan de ontwikkelingsbedreiging die bij de kinderen wordt gezien, en om te bezien of er toch beweging in het proces kan komen die ruimte biedt voor contactherstel. Hoewel de Raad de kinderen iets anders gunt, namelijk een vorm van contact met hun moeder, is er op dit moment vooral behoefte aan rust en helemaal geen contact met de vrouw. De Raad vindt het belangrijk de kinderen hierin te volgen en adviseert daarom om geen contactregeling vast te leggen. Een eventueel contactherstel kan op initiatief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vorm worden gegeven, onder begeleiding van een betrokken gezinsvoogd. De Raad acht het van belang dat er een jeugdbeschermer vanuit een ondertoezichtstelling wordt betrokken, die zal werken aan de hierboven beschreven doelen. Wellicht brengt dit proces meer ruimte bij zowel de vrouw als de kinderen, en ontstaat er in de (nabije) toekomst ruimte voor contactherstel. 4.
  17. Door en namens de vrouw is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het is een hele lastige situatie. De vrouw benadrukt dat zij de kinderen niet het gevoel heeft willen geven dat zij afgewezen zijn door haar. Het moet duidelijk zijn dat de kinderen welkom zijn als zij dat willen. De vrouw wil haar kinderen graag zien en streeft naar parallel ouderschap, maar zij vreest dat dit zal leiden tot een terugval in de oude situatie, waarin door de man extreme controle en psychisch geweld werd uitgeoefend, waarbij de kinderen vaak zijn ingezet in de strijd tussen de ouders. De onderlinge interactie tussen de ouders is niet veranderd. De vrouw is bang dat het contact met beide ouders op dit moment voor de kinderen schadelijker is dan helemaal geen contact. Zij kan wel instemmen met het voorstel dat contact mogelijk is op initiatief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 4.
  18. Door en namens de man is, samengevat, aangegeven dat hij graag zou willen dat het anders is dan dat het nu is. Hij zou graag willen dat het contact en de band tussen de moeder en de kinderen weer wordt opgebouwd. Op dit moment is de drempel voor de jongens de hoog om weer bij hun moeder aan de deur te staan. Daar is hulp bij nodig. De man kan zich vinden in het advies van de Raad. 5De beoordeling 5.
  19. De rechtbank beoordeelt of het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld. 5.
  20. Uit de overgelegde stukken en hetgeen naar voren is gekomen tijdens de zitting blijkt dat de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht jaar geleden uit elkaar zijn gegaan. Sinds februari 2025 is het contact tussen de kinderen en de vrouw verbroken, nadat de vrouw in een brief aan de kinderen heeft laten weten geen contact meer te willen. Eerder, in 2023, is het contact ook al eens verbroken geweest. De kinderen worstelen met het verlies van het contact met hun moeder. Tijdens het kindgesprek hebben zij, anders dan in het raadsrapport, aangegeven dat zij graag een vorm van contact met hun moeder willen. [minderjarige 1] gaf aan wel open te staan voor, bijvoorbeeld één keer per week samen te lunchen of avond te eten. Daarnaast hebben zij gevraagd of hun moeder hen kan deblokkeren op whatsapp. De situatie is voor de kinderen lastig en onduidelijk: er is een opening bij hen voor contact, maar zij ervaren op dit moment niet dat zij welkom zijn bij hun moeder. 5.
  21. De vrouw heeft aangegeven dat zij de kinderen nooit heeft willen afwijzen en dat zij altijd welkom zijn om langs te komen. De kinderrechter zal daarom in de beschikking opnemen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd op eigen initiatief contact kunnen opnemen met hun moeder, wanneer zij dat willen. De Raad heeft geadviseerd om in de beschikking geen definitieve afspraken vast te leggen, maar eerst met behulp van een jeugdbeschermer te onderzoeken wat er nog mogelijk is. Er is hulp nodig om te bekijken of de deur naar contact weer verder opengezet kan worden. Nu de ondertoezichtstelling is toegewezen, kan met hulp van een jeugdbeschermer verder worden gekeken naar de behoeften van de kinderen bij de verdere invulling van de zorgregeling. De GI kan het vervolg begeleiden, monitoren en verder kaderen. 5.
  22. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5.
  23. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing De rechtbank: 6.
  24. bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het volgende: de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar op initiatief van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij de GI de verdere regie heeft over de invulling en eventuele uitbreiding van de contactmomenten; 6.
  25. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari
  26. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.