Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:4887
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1090 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 op het verzet van [opposante] , uit [woonplaats] , opposante, tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 in het geding tussen opposante en de minister van Justitie en Veiligheid.
Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van opposante kennis te nemen.
1.1.
Opposante heeft in haar verzetschrift en aanvullende verzetschrift niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 2 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de grond van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
Het beroep van opposante 4. Het beroep van opposante ging over het niet op tijd beslissen door de minister op haar verzoek(en) uit 2024 om toestemming te geven aan het [ziekenhuis] ( [ziekenhuis] ) om haar patiëntendossier aan te passen. Verder stelt opposante de minister aansprakelijk voor de onnodige en ontoelaatbare schade die is ontstaan door het onbeantwoord laten van de verzoekschriften.
De uitspraak van 2 april 2026 5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De bestuursrechter heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de bestuursrechter tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van het niet op tijd nemen van een besluit in de zin van de Awb. Het verzoek van opposante aan de minister, waar de minister niet op tijd op zou hebben besloten, betreft namelijk geen verzoek tot het nemen van een besluit inhoudelijke een publiekrechtelijke rechtshandeling. De minister kan niet aan het verzoek van opposante tegemoetkomen op grond van een publiekrechtelijk wettelijke bepaling. Aangezien er geen sprake is van een (onrechtmatig) besluit in de zin van de Awb is de bestuursrechter ook onbevoegd om te oordelen over het schadeverzoek van opposante.
Is er sprake van het niet op tijd nemen van een besluit in de zin van de Awb door de minister?
Een rechtshandeling is namelijk een actie die op rechtsgevolg is gericht. Een beslissing heeft rechtsgevolg, indien zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. De minister kan wel toestemming geven aan het [ziekenhuis] om het patiëntendossier van opposante aan te passen, maar deze toestemming levert geen plicht op voor het [ziekenhuis] om het patiëntendossier van opposante aan te passen. Verder is een rechtshandeling publiekrechtelijk indien het bestuursorgaan, in dit geval de minister, de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag.
Voor het verlenen van toestemming voor de aanpassing van het patiëntendossier bestaat zo’n grondslag niet. Het verzet van opposante slaagt niet, er is geen sprake van het niet op tijd nemen van een besluit in de zin van de Awb door de minister.
Conclusie en gevolgen 8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 2 april 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 2 april 2026 in stand blijft. Zoals in die uitspraak al vermeld is, kan opposante haar geschil aan de civiele rechter voorleggen.
Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wat onder een besluit wordt verstaan, staat in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Zie artikel 8:88 van de Awb.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 11 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1851, rechtsoverweging 7.1.