ECLI:NL:RBZWB:2026:5146
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummers: 02-042857-25 + 02-256044-25 Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , raadsvrouw mr. A.H.J. Raaijmakers, advocaat te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.E. de Feijter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2De tenlasteleggingen De tenlasteleggingen zijn gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Ten aanzien van parketnummer 02-042857-25:
Feit 1: online handelsfraude, dan wel oplichting van meerdere personen;
Feit 2: online handelsfraude;
Ten aanzien van parketnummer 02-256044-25:
Feit 1: diefstal;
Feit 2: diefstal van geld door middel van een valse sleutel;
Feit 3: online handelsfraude, dan wel oplichting.
3De voorvragen De dagvaardingen zijn geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs 4.1.
Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met betrekking tot parketnummer 02-042857-25 schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair ten laste gelegde online handelsfraude, met uitzondering van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voor deze aangevers geldt dat verdachte hen heeft opgelicht, zoals onder feit 1 subsidiair ten laste is gelegd. Onder ditzelfde parketnummer acht de officier van justitie ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 ten laste gelegde online handelsfraude.
Ten aanzien van parketnummer 02-256044-25 acht de officier van justitie de diefstal onder feit 1, de diefstal van geld door middel van een valse sleutel onder feit 2 en online handelsfraude onder feit 3 primair, wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging De verdediging voert aan dat verdachte in de kern alle ten laste gelegde feiten heeft bekend. De verdediging komt voor sommige feiten echter tot een andere juridische kwalificatie dan de officier van justitie. De gedragingen van verdachte onder beide feiten van parketnummer 02-042857-25 en feit 3 van parketnummer 02-256044-25 leveren geen online handelsfraude op, maar passen meer bij ‘gewone’ oplichting. De rechtbank kan daarom in beide parketnummers niet tot een bewezenverklaring komen van online handelsfraude.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank 4.3.1.
De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Parketnummer 02-042857-25 Onder feit 1 primair en feit 2 is online handelsfraude in de zin van artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht (hierna sr) ten laste gelegd. Bewezenverklaring daarvan vereist dat verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het via een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling, met het oogmerk om zich van die betaling te verzekeren zonder volledige levering.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat in totaal 12 personen aangifte hebben gedaan van oplichting, gepleegd in de periode 25 september 2023 tot en met 10 februari 2024 en met pleegplaats [plaats 1] . Met uitzondering van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft het contact tussen verdachte en de aangevers plaatsgevonden via Whatsapp of Facebook Messenger. Met aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verdachte (ook) in persoon dan wel telefonisch contact gehad. Verdachte heeft zich telkens gepresenteerd als iemand die mobiele telefoons (feit 1), dan wel Google Nest Hubs, een Wrepair model 45 en een Forward Blue lasermachine (feit 2) kon leveren. De aangevers hebben de overeengekomen bedragen aan verdachte betaald via betaalverzoeken en bankoverschrijvingen. Verdachte heeft de goederen vervolgens niet geleverd. Verdachte heeft op die manier in het kader van online aangeboden handelsactiviteiten bewust betalingen ontvangen zonder de daartegenover staande prestatie te verrichten. Verdachte heeft dit ter zitting erkend. Daarmee staan de hiervoor beschreven gedragingen vast.
De verdediging heeft aangevoerd dat het handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht, maar uitsluitend als oplichting. Volgens de verdediging ontbreekt het specifieke karakter van online handelsfraude. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Gelet op het aantal aangevers en de modus operandi zoals hiervoor beschreven, is sprake van het meermalen verrichten van soortgelijke feiten, die in onderling verband staan en gericht zijn op het ontvangen van gelden van derden die vervolgens de betaalde goederen niet geleverd krijgen. Gelet hierop is sprake van een gewoonte als bedoeld in artikel 236e van het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat de goederen en het geautomatiseerd werk weliswaar anders zijn, maar dat het handelen van verdachte overeenkomt met zijn handelen bij feit 1 primair. De insteek was telkens hetzelfde, verkopen van goederen met het oogmerk om die niet te leveren maar wel het geld op te strijken. Daardoor heeft hij een gewoonte gemaakt van dergelijke verkopen.
De rechtbank acht derhalve het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de onder feit 1 primair opgenomen aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Nu bij hen voor het aanbieden van de goederen geen sprake is geweest van gebruikmaking van een geautomatiseerd werk, zal verdachte van dit onderdeel van feit 1 primair, worden vrijgesproken. Wel acht de rechtbank vervolgens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze twee aangevers heeft opgelicht, zoals onder feit 1 subsidiair ten laste is gelegd.
Parketnummer 02-256044-25 Feiten 1 en 2 Aangezien verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
Feit 3 Ook ten aanzien van feit 3 heeft verdachte bekend dat hij – kort gezegd – via Facebook een telefoon te koop heeft aangeboden en verkocht, op voorhand een betaling heeft ontvangen en nooit tot levering van de telefoon is overgegaan. De verdediging heeft ook hier aangevoerd dat het handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht, maar uitsluitend als oplichting. Dit eens te meer omdat bij dit feit sprake is van slechts één aangeefster.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Weliswaar is sprake van een enkele aangeefster, maar nu de handelwijze van verdachte overeenkomt met die bij de feiten 1 primair en 2 van de tenlastelegging met parketnummer 02-042857-25, is de rechtbank van oordeel dat een en ander in samenhang moet worden bezien en dat daarom ook hier is voldaan aan de bestanddelen van artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht feit 3 primair dan ook wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Parketnummer 02-042857-25:
2 in de periode van 25 november 2023 tot en met 18 december 2023 te [plaats 1] een gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk, te weten via de servers waarop Marktplaats wordt gehost, verkopen van goederen, te weten meerdere Google Nest Hubs, een Wrepair model 45 en/of een Forward Blue lasermachine aan:
Parketnummer 02-256044-25 1 op 23 juni 2025 te [plaats 1] een pinpas die aan [bedrijf 1] B.V. toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich dat wederrechtelijk toe te eigenen;
2 op 23 juni 2025 te [plaats 1] een geldbedrag van €830 dat aan [bedrijf 1] B.V. toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een pinpas toebehorende aan [bedrijf 1] B.V.;
3 in de periode van 9 augustus 2024 tot en met 15 augustus 2024 te [plaats 1] een gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk, te weten via de servers waarop WhatsApp en/of Facebook (Messenger) worden gehost, verkopen van goederen, te weten een mobiele telefoon aan [slachtoffer 14] voor een bedrag van € 425,00 euro, met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die goederen te verzekeren.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aan het voorwaardelijk deel gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geformuleerd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging Aan de rechtbank wordt verzocht om bij de strafoplegging veel gewicht toe te kennen aan de bekentenis van verdachte, zijn schuldbesef, de bedreigingen die hij heeft ondergaan, het positieve reclasseringsrapport, het gestopte harddrugsgebruik, de stabiele woon- en werksituatie en het concrete belang van werkbehoud ten behoeve van betaling van schadevergoeding.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het dossier en ter zitting is gebleken.
Verdachte heeft zich gedurende een ruime periode schuldig gemaakt aan online handelsfraude en oplichting ten nadele van een aanzienlijk aantal slachtoffers. Hij heeft via online communicatiemiddelen of in persoon of telefonisch mobiele telefoons of andere goederen te koop aangeboden, vervolgens betalingen ontvangen en daarna niet geleverd. Door aldus te handelen heeft verdachte het vertrouwen dat noodzakelijk is voor het veilig functioneren van het online handelsverkeer en het handelsverkeer tussen personen in het algemeen ernstig geschaad. Daarnaast heeft hij de afzonderlijke slachtoffers financieel benadeeld en hen veelal achtergelaten met gevoelens van boosheid, frustratie en machteloosheid. Veel van de slachtoffers waren bekend of zelfs bevriend met verdachte. Zij vertrouwden hem volledig en verdachte heeft juist van dat in hem gestelde vertrouwen op brutale wijze misbruik gemaakt.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een pinpas en vervolgens aan het wegnemen van geld door gebruik te maken van die pinpas. Met dergelijke feiten wordt niet alleen vermogensschade veroorzaakt, maar wordt ook inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid en vertrouwen dat burgers moeten kunnen hebben in het betalingsverkeer.
De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat hij deze feiten heeft gepleegd terwijl hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, zoals blijkt uit het strafblad van verdachte. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze recidive werkt strafverzwarend.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 22 februari 2026. Daaruit komt een overwegend positief beeld naar voren. Verdachte lijkt stappen te hebben gezet om zijn leven op orde te brengen. Hij woont bij zijn ouders en heeft een baan met uitzicht op een vast dienstverband. Verder toont hij zich schuldbewust en lijkt hij inzicht te tonen in het laakbare van zijn handelen.
Tegelijkertijd blijkt uit het rapport dat sprake is van risicofactoren. Verdachte heeft een geschiedenis van middelenproblematiek en er is langdurig sprake geweest van een pro-criminele houding. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, het meewerken aan een ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontrole.
De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte ten tijde van de feiten onder druk stond, omdat hij werd bedreigd en afgeperst en daardoor snel geld nodig had. De rechtbank constateert dat deze stelling op geen enkele wijze met objectieve gegevens is onderbouwd of anderszins aannemelijk is geworden. Reeds daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om daarmee rekening te houden.
Gelet op de ernst van de feiten, het aantal slachtoffers en de recidive kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere sanctie dan een gevangenisstraf. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte in het verleden al een taakstraf opgelegd heeft gekregen en dat gelet op artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht het taakstrafverbod van toepassing is. Een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke straf, is niet aan de orde.
Hoewel de reclassering positieve ontwikkelingen signaleert, rechtvaardigen voornoemde omstandigheden nog steeds zorg ten aanzien van het risico op terugval. De rechtbank acht het daarom van belang dat verdachte ook in de toekomst wordt gestimuleerd om zijn leven op legale wijze vorm te geven. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Daarmee wordt recht gedaan aan de ernst van de feiten en de noodzaak van vergelding, terwijl aan verdachte ook een duidelijke waarschuwing wordt gegeven voor de toekomst.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opleggen. Aan het voorwaardelijke deel worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld, zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7De vorderingen van de benadeelde partijen Parketnummer 02-042857-25 Feit 1 primair De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert een schadevergoeding van € 525,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert een schadevergoeding van € 1.600,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 8] vordert een schadevergoeding van € 1.350,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert een schadevergoeding van € 375,-.
De benadeelde partij [slachtoffer 10] vordert een schadevergoeding van € 1.650,-. Ter zitting heeft benadeelde aangegeven dat hij zich vergist heeft bij het optellen van de posten en dat hij nu een schadevergoeding van € 1.600,- vordert.
De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert een schadevergoeding van € 2.040,-.
Parketnummer 02-042857-25 Feit 1 subsidiair De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 220,-.
Feit 2 De benadeelde partij [slachtoffer 13] vordert een schadevergoeding van € 50,40,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte voornoemde feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover alle hiervoor genoemde benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van deze benadeelde partijen te vergoeden.
De door voornoemde benadeelden gevorderde schadevergoedingen acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Parketnummer 02-042857-25 Feit 1 primair De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 1.150,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Ter zitting is gebleken dat verdachte een groot deel van de gevorderde schadevergoeding reeds heeft vergoed aan de benadeelde partij. Het bedrag dat resteert is € 250,-. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 250,- aan materiële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Parketnummer 02-042857-25 Feit 2 De benadeelde partij [slachtoffer 12] vordert een schadevergoeding van € 4.636,27.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door deze benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 525,- aan materiële schade, bestaande uit de posten “Laser machine” en “Wrepair station”. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Parketnummer 02-256044-25 De benadeelde partij [slachtoffer 3] namens [bedrijf 1] B.V. vordert een schadevergoeding van € 854,94,- voor de feiten 1 en 2.
Ter zitting heeft de benadeelde partij aangegeven dat de post betreffende de Rabo Reader kan komen te vervallen, waardoor hij nu een schadevergoeding van € 834,95 vordert.
De benadeelde partij [slachtoffer 14] vordert een schadevergoeding van € 425,- voor feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover voornoemde benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van deze benadeelde partijen te vergoeden.
De door de benadeelden gevorderde schadevergoedingen acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten:
Parketnummer 02-042857-25: bij [slachtoffer 4] : 11 november 2023; bij [slachtoffer 5] : 23 november 2023; bij [slachtoffer 7] : 26 september 2023; bij [slachtoffer 8] : 14 december 2023; bij [slachtoffer 9] : 29 januari 2024; bij [slachtoffer 10] : 1 februari 2024; bij [slachtoffer 11] : 10 februari 2024; bij [slachtoffer 2] : 24 november 2023; bij [slachtoffer 13] : 18 december 2023; bij [slachtoffer 12] : 27 november 2023;
Parketnummer 02-256044-25: bij [slachtoffer 3] namens [bedrijf 1] B.V.: 23 juni 2025; bij [slachtoffer 14] : 9 augustus 2024.
Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 310, 311, 326 en 326e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing De rechtbank:
Vrijspraak
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Parketnummer 02-042857-25 feiten 1 primair en 2: Telkens: een beroep of een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling, met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren; feit 1 subsidiair: Oplichting, meermalen gepleegd;
Parketnummer 02-256044-25 feit 1: Diefstal; feit 2: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; feit 3 primair: Een beroep of een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling, met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren;
Strafoplegging
Benadeelde partijen Parketnummer 02-042857-25 Feit 1 primair
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 juni 2026.
De voorzitter en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlasteleggingen Parketnummer 02-042857-25:
1 hij in of omstreeks de periode van 25 september 2023 tot en met 10 februari 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk, te weten via de servers waarop WhatsApp en/of Facebook (Messenger) wordt gehost, verkopen van goederen, te weten een of meer mobiele telefoons, althans enig goed, aan:
1 hij, op of omstreeks 23 juni 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, een pinpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; ( art 310 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij, op of omstreeks 23 juni 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, een geldbedrag van €830, in elk geval enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (onbevoegd) gebruik te maken van een pinpas toebehorende aan [bedrijf 1] B.V.; ( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht ) 3 hij, in of omstreeks de periode van 9 augustus 2024 tot en met 15 augustus 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk, te weten via de servers waarop WhatsApp en/of Facebook (Messenger) wordt gehost, verkopen van goederen, te weten een of meer mobiele telefoons, althans enig goed, aan [slachtoffer 14] voor een bedrag van € 425,00 euro met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen te verzekeren; (artikel 326e Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2024 tot en met 15 augustus 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 14] heeft bewogen tot de afgifte van € 425 euro door: