Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

ECLI:NL:RBZWB:2026:5263

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg Parketnummer: 02.341941.25 Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1982, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres] , raadsvrouw mr. M.V. de Nooijer, advocaat te Middelburg.

1Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 04 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn dochter seksueel heeft misbruikt van haar zesde tot en met haar zevende jaar.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

3De voorvragen De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4De beoordeling van het bewijs 4.1.

Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder zowel de oude als de nieuwe wet betreffende seksuele misdrijven heeft begaan.

4.2.

Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde kan komen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank Ten laste is gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam. De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken zich regelmatig de situatie voordoet dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de aangever en de vermeende dader.

Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat alleen de verklaringen van de aangever als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de enkele verklaring van één getuige in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Voor het bewijs in zedenzaken is niet vereist dat de gedraging zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, als de verklaring van de aangever maar op specifieke punten bevestiging vindt in het overige bewijsmateriaal en tussen de verklaring van de aangever en het overige bewijsmateriaal niet een te ver verwijderd verband bestaat.

De rechtbank zal dan ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever moeten beoordelen. Indien de rechtbank de verklaringen betrouwbaar acht, moet worden beoordeeld of deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De verklaringen van [aangeefster] Op 16 maart 2025 heeft [aangeefster] , verdachtes dochtertje, tegen haar moeder verteld dat zij door haar vader seksueel werd betast. Op 17 maart 2025 heeft moeder dit gemeld bij de politie, waarna [aangeefster] diezelfde dag ook over het misbruik heeft verklaard tegenover een verbalisant.

Zij heeft tegen moeder verklaard dat zij, als zij bij verdachte is, ’s ochtends in bed moet komen liggen en dat hij dan onder de dekens met zijn hand over haar billen wrijft en in haar onderbroek gaat bij haar plasgaatje. Ook heeft ze verklaard dat haar vader bij het douchen haar ‘privé’ heeft gewassen zonder washand en dat hij daarbij met zijn vinger in haar vagina ging. Ook kwam hij met zijn blote piemel tegen haar aan.

Tijdens een studioverhoor heeft [aangeefster] een gelijkluidende verklaring afgelegd.

Over deze handelingen op zichzelf heeft [aangeefster] steeds consistent en ook gedetailleerd verklaard. De verdediging heeft enkele elementen in haar verklaringen aangehaald die volgens de verdediging de betrouwbaarheid aantasten. Zo heeft [aangeefster] wisselend verklaard over de leeftijd die ze had toen dit zou zijn begonnen en of er tijdens de handelingen in bed al dan niet andere personen aanwezig waren. Uiteindelijk heeft ze over dat laatste verklaard dat in bed ook haar broertje en [persoon] erbij waren, maar dat zij niks hebben gemerkt omdat het onder de dekens gebeurde. De rechtbank ziet hierin en ook voor het overige onvoldoende aanleiding om haar verklaring als geheel als onbetrouwbaar aan te merken.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat tijdens het studioverhoor op cruciale punten herhaaldelijk gebruik is gemaakt van meerkeuze vragen, wat de betrouwbaarheid van de antwoorden aantast. De rechtbank constateert echter dat in de door de verdediging aangehaalde voorbeelden steeds ruimte is gegeven om een ander antwoord te geven dan de benoemde specifieke opties. Alleen bij de vraag over welke vakantie [aangeefster] het heeft is de optie ‘of anders?’ niet gegeven. In dat deel van het verhoor zegt [aangeefster] uiteindelijk dat ze op wintersportvakantie waren. In de context van het dossier is duidelijk welke vakantie dat betreft en wanneer die plaatsvond.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat tijdens het studioverhoor niet over één specifieke gebeurtenis is verklaard, maar dat het steeds is gebleven bij een algemene beschrijving van het misbruik. Uit de verklaringen van [aangeefster] kan echter worden afgeleid dat het misbruik plaatsvond in de ochtend in bed of onder de douche en dat de handelingen op die momenten steeds waren zoals zij die heeft omschreven. In zoverre acht de rechtbank het niet benoemen van één specifieke gebeurtenis evenmin voldoende om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen.

Gelet op het vorenstaande en gelet op het feit dat [aangeefster] gedetailleerd en consistent heeft verklaard over de seksuele handelingen, gaat de rechtbank uit van de betrouwbaarheid van haar verklaringen.

Steunbewijs Van veel bewijsmiddelen in het dossier is [aangeefster] uiteindelijk de bron, zoals in de verklaringen van moeder – waaronder de aangifte –, de verklaring van [getuige] en de dagboekaantekeningen. Deze bewijsmiddelen kunnen voor wat betreft de daarin genoemde misbruikhandelingen daarom niet als steunbewijs dienen.

Wel heeft moeder verklaard over een gedragsverandering bij [aangeefster] na de breuk tussen verdachte en zijn vriendin, in december 2024. Zij heeft eveneens verklaard dat [aangeefster] ook daarvoor al langere tijd afwijkend gedrag vertoonde. Eerder vond hulpverlening plaats omdat [aangeefster] moeite had met de scheiding. Toen dat was afgerond ging het na enige tijd niet goed en is hulpverlening ingeschakeld via het Centrum Jeugd en Gezin. Ook had [aangeefster] op school een ‘praatjuf’, waar ze één keer per week mee sprak. Omdat het na enige tijd beter ging werd in januari 2025 beslist om deze gesprekken één keer per twee weken te houden, maar vanaf maart 2025 vonden de gesprekken weer één keer per week plaats.

Omdat het misbruik volgens [aangeefster] al plaatsvond vóór december 2024 ziet de rechtbank in de gedragsverandering vanaf die datum onvoldoende grond om als steunbewijs te dienen voor de verklaringen van [aangeefster] . Hoewel het eerdere afwijkende gedrag mogelijk veroorzaakt kan zijn door misbruik, is hierover onvoldoende bekend. Ook was eerder hulpverlening ingeschakeld vanwege de scheiding, zodat een eventueel verband tussen het afwijkende gedrag en misbruik lastig te leggen is. In de waargenomen gedragsverandering ziet de rechtbank daarom onvoldoende steunbewijs voor de verklaringen van [aangeefster] .

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de kinderen in het weekend in de ochtend soms inderdaad in bed kwamen en dat hij [aangeefster] soms heeft geholpen met douchen waarbij hij haar dan zonder washand heeft gewassen, ook tussen haar benen. Dat hij in deze situaties zijn dochter op een seksuele manier heeft aangeraakt heeft hij ontkend.

Deze verklaring van verdachte kan op zichzelf echter evenmin als steunbewijs dienen, omdat de door verdachte beschreven gang van zaken kan passen binnen een normaal gezinsleven. De rechtbank acht in dat verband mede van belang dat de broer van [aangeefster] en de vriendin van verdachte, die in de ochtend ook in het bed van verdachte lagen, niets hebben gemerkt van de door [aangeefster] beschreven handelingen van verdachte onder de dekens.

Conclusie Nu er geen steunbewijs is voor de verklaringen van [aangeefster] , ontbreekt het wettig bewijs voor het tenlastegelegde, zodat verdachte daarvan integraal zal worden vrijgesproken.

5Beslissing De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Boogert, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. J. Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting op 18 juni 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat 1hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 toten met 30 juni 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland, en/of Oostenrijk,met zijn eigen kind, [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 2015,die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,(telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of medebestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] ,hebbende verdachte zijn vinger(s) tussen de schaamlippen en/of in de vagina vandie [aangeefster] geduwd/gebracht; en hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot enmet 16 maart 2025 te [geboorteplaats] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland, en/of Oostenrijk met een kindbeneden de leeftijd van 12 jaren, te weten [aangeefster] (telkens) een ofmeer seksuele handelingen heeft verricht welke bestonden uit of mede bestondenuit seksueel binnendringen van het lichaam hebbende verdachte zijn vinger(s) in devagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangeefster] geduwd/gebracht;art 250 lid 1 Wetboek van Strafrecht (nieuw)( art 244 Wetboek van Strafrecht (oud)) 2hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 toten met 30 juni 2024 te [geboorteplaats] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland, en/of Oostenrijkontucht heeft gepleegdmet zijn minderjarig kind [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 2015,door de schaamstreek en/of billen van die [aangeefster] te betasten en/of zijnnaakte penis tegen het naakte lichaam van die [aangeefster] te drukken/duwen; en hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot enmet 16 maart 2025 te [geboorteplaats] en/of [plaats 2] in elk geval in Nederland, en/of Oostenrijk met een kindbeneden de leeftijd van 12 jaren, te weten [aangeefster] (telkens) een ofmeer seksuele handelingen heeft verricht hebbendde verdachte de schaamstreeken/of billen van die [aangeefster] betast en/of zijn naakte penis tegen het naaktelichaam van die [aangeefster] gedrukt/geduwd;art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.