ECLI:NL:RBZWB:2026:5298
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg Parketnummer: 02.326020.25 Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1983, ingeschreven in de basisregistratie personen op het [woonadres] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] , locatie [locatie] , te [plaats 1] , raadsman mr. R.A.A. Maat, advocaat te Goes.
1Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 04 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte seks heeft gehad met zijn minderjarige stiefdochter en haar onzedelijk heeft betast, al dan niet met toepassing van dwang.
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
3De voorvragen De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs 4.1.
Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zij het in een kortere periode, namelijk tot eind 2023.
4.2.
Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het dossier weliswaar wettig bewijs bevat voor de primair tenlastegelegde verkrachting, maar dat daar niet de overtuiging uit kan volgen om tot een bewezenverklaring te komen. Zo is in dat verband aangevoerd dat [getuige] belastend heeft verklaard omdat verdachte bij wijze van grap tegen haar heeft gezegd dat hij seks had gehad met [slachtoffer] . Deze verklaring kan daarom niet bijdragen aan de overtuiging dat verdachte het feit heeft gepleegd. Ook kloppen de verklaringen van [slachtoffer] over de gestelde zwangerschap niet.
De verdediging heeft verzocht om, in het geval de rechtbank in raadkamer toch tot een bewezenverklaring komt, de zaak aan te houden en te gelasten dat verdachte zijn in beslag genomen telefoon terugkrijgt zodat de verdediging ontlastende informatie op de telefoon kan achterhalen.
Ten aanzien van feit 2 is geen specifiek bewijsverweer gevoerd. De verdediging heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de feiten.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank 4.3.1.
De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Ten aanzien van feit 1 Het dossier bevat wettig bewijs dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. De door de verdediging aangevoerde argumenten dat dit bewijs niet overtuigend is, worden door de rechtbank niet gevolgd. Zo acht de rechtbank de uitleg die wordt gegeven voor het belastende karakter van de verklaring van [getuige] niet aannemelijk. De uitleg van verdachte op dit punt wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier. Daarbij komt dat verdachte pas ter terechtzitting met deze uitleg is gekomen, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid daarvan.
De verdediging heeft verder in verband met het bepleite ontbreken van de overtuiging – en niet in verband met de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] als geheel – gesteld dat [slachtoffer] zou hebben verzonnen dat zij op enig moment zwanger is geraakt door de seks met verdachte. De rechtbank ziet niet de relevantie van dit punt in het licht van de overtuiging of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Ook als de verklaringen van [slachtoffer] over de zwangerschap niet op waarheid zouden berusten, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat het ten laste gelegde misbruik niet zou hebben plaatsgevonden.
Conclusie De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals opgenomen in paragraaf 4.4.
Verzoek tot aanhouding Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 primair tenlastegelegde zal de rechtbank het verzoek tot teruggave van de telefoon voor nader onderzoek beoordelen. Gelet op de fase in de procedure toetst de rechtbank het verzoek aan het noodzaakscriterium. De rechtbank overweegt dat door de politie onderzoek is gedaan aan de betreffende in beslag genomen iPhone van verdachte. Er is gezocht op chats tussen verdachte enerzijds en [slachtoffer] , haar [pleegmoeder] en [getuige] anderzijds. Verder zijn de foto’s (van de periode 1 juli 2022 tot en met 31 december 2024) en video’s op de telefoon bekeken. Op een ander moment is een zoekslag gemaakt in de telefoon op de naam ‘ [naam] ’, onder welke naam [slachtoffer] ook wel met verdachte heeft gechat. Ook is toen in de telefoon gezocht op de trefwoorden Juvent, jeugdbescherming, hulpverlening en jeugdzorg. Van de bevindingen zijn processen-verbaal opgemaakt en aan het dossier toegevoegd.
Gelet op het bovenstaande ontbreekt de noodzaak tot nader onderzoek van de telefoon, zeker nu de verdediging heeft nagelaten concreet te maken welk onderzoek naast het reeds gedane onderzoek nog verricht zou moeten worden.
Ten aanzien van feit 2 Aangaande dit feit is door de verdediging weliswaar vrijspraak bepleit, maar in verband daarmee is geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren gebracht. Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. primair. meermalen, in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 1 april 2023 te [plaats 2] , gemeente Reimerswaal, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en vagina van die [slachtoffer] gebracht en zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en bestaande die andere feitelijkheid uit:
2 primair. meermalen, in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 1 april 2023 te [plaats 2] , gemeente Reimerswaal, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte de borsten en billen en benen van die [slachtoffer] betast en die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis laten betasten en bestaande die andere feitelijkheid uit:
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor de feiten 1 primair en 2 primair een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest. Ook is gevorderd de oplegging van de maatregel van artikel 38v Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de duur van vijf jaren, waarbij een week hechtenis wordt opgelegd voor elke overtreding met een maximum van 6 maanden, en welke maatregel dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard.
6.2.
Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij de bijzondere voorwaarden te stellen die de reclassering heeft geadviseerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij deze afspraken vonden de bewezenverklaarde seksuele handelingen plaats in de auto van verdachte. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat hij in het contact met haar steeds zijn eigen lusten voorop heeft gesteld en niet heeft gedacht aan de verstrekkende gevolgen voor [slachtoffer] . Over die gevolgen zegt [slachtoffer] in haar slachtofferverklaring: “Ik voel mij vernederd, angstig, onzeker en beschadigd. Mijn gevoel van veiligheid is volledig weggenomen. Door alles wat er is gebeurd, heb ik moeite gekregen met vertrouwen. Sommige banden in mijn leven zijn zelfs kapotgemaakt, bijvoorbeeld de band met mijn moeder en daardoor ook de band met mijn broertje en halfzusjes.” Rondom het seksueel misbruik heeft verdachte [slachtoffer] ook psychisch onder druk gezet.
Uit de chatberichten komt naar voren dat verdachte in de veronderstelling was of heeft voorgewend dat zij een relatie hadden. Terwijl door het pleeggezin van [slachtoffer] , haar hulpverleners en haar biologische moeder het contact tussen verdachte en [slachtoffer] werd afgekeurd en verboden, heeft verdachte [slachtoffer] juist gevraagd om bij hem te blijven en om desnoods naar het buitenland te vertrekken om hun relatie daar voort te kunnen zetten. Zelfs heeft hij op een moment dat [slachtoffer] het psychisch zwaar had, voorgesteld om samen op het treinspoor te gaan staan. Dat verdachte zich als volwassene op deze manier ten opzichte van een kwetsbare minderjarige heeft opgesteld, acht de rechtbank zeer kwalijk.
Door zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] in zeer ernstige mate geschonden en eraan bijgedragen dat haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling is doorkruist. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten later ernstige nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de stukken bij de vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit al het geval is, nu zij zich heeft aangemeld voor therapie.
De reclassering heeft in het adviesrapport van 3 juni 2026 naar voren gebracht dat de risicoverhogende factoren liggen op de gebieden relatie partner/gezin, het psychosociaal functioneren en zijn houding. Verdachte legt een gedeelde verantwoordelijkheid neer bij zijn stiefdochter die hij gezien zijn overmacht niet bij haar mag neerleggen, aldus de reclassering. Er is geen sprake van probleembesef of inzicht in hoe het zo is gekomen dat hij gevoelens kreeg. Hij toont zich sociaal wenselijk en berekenend door te zeggen dat hij niet alles kan terughalen en dat hij niet op alle zaken wil ingaan. De reclassering schat het herhalingsgevaar in op gemiddeld. Geadviseerd wordt op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf waarbij diverse bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
Gelet op de lengte van deze gevangenisstraf bestaat geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel en daarmee evenmin voor het opleggen van bijzondere voorwaarden.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor oplegging van de maatregel van artikel 38v Sv. Er is immers niet gebleken dat verdachte vanuit detentie nog heeft getracht contact te leggen met [slachtoffer] , en zolang hij in detentie verblijft kan hij niet bij haar in de buurt komen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Het beslag De verbeurdverklaring Het inbeslaggenomen voorwerp wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp tot het begaan van de onder 1 primair en 2 primair bewezen misdrijven is bestemd.
8De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 12.500,- voor geleden immateriële schade voor de feiten 1 en 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn of haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn of haar persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat concrete gegevens over de aard van de psychische schade bij de benadeelde partij ontbreken, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld. De rechtbank is echter van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en op de Rotterdamse schaal is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 1 oktober 2022.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 56, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10Beslissing De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Voortgezette handeling van: feit 1 primair: verkrachting, meermalen gepleegd; en feit 2 primair: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;
Strafoplegging
Benadeelde partij T.a.v. feiten 1 primair en 2 primair
Beslag
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 juni 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat 1 hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 juni 2024 te [plaats 2] , gemeente Reimerswaal, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid uit: