RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-050027-25 vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] wonende op het [woonadres] . Raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal. 1Onderzoek van de zaak Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak op 2 mei 2025 naar de meervoudige strafkamer van deze rechtbank verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast is namens de benadeelde partij [benadeelde] als gemachtigde verschenen mw. [gemachtigde] . 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er - kort en feitelijk weergegeven - op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld, dan wel aan een mishandeling. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en dus schuldig is aan openlijke geweldpleging. Op basis van de aanname dat het zusje van [medeverdachte] is geduwd, is [medeverdachte] op aangeefster afgelopen en heeft zij zich tegen haar gekeerd. Zij heeft vervolgens samen met verdachte meerdere gewelddadige handelingen gepleegd, waardoor aangeefster letsel heeft opgelopen. De geweldsgedragingen kunnen bewezen worden verklaard met uitzondering van het trappen tegen het gezicht. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is primair van mening dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat er feitelijk is voorgevallen. Het dossier bevat veel onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. Dit moet leiden tot een integrale vrijspraak. De verklaringen van verdachte en [medeverdachte] moeten als uitgangpunt worden genomen bij de beoordeling van de zaak. Het subsidiaire standpunt is dat alleen de mishandeling bewezenverklaard kan worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Aangeefster [benadeelde] heeft verklaard dat zij op 13 februari 2024 in de Koepelstraat in Bergen op Zoom is geweest. Op het moment dat zij daar wegliep, werd zij door een vrouw nageroepen. Aangeefster voelde haar pruik bewegen, maar heeft hierop niet gereageerd. Zij werd kort daarna aan haar pruik getrokken en bij haar arm vastgepakt door deze vrouw. Nadat aangeefster van de vrouw was losgekomen, werd zij door een man in het gezicht geslagen. Aangeefster heeft de man herkend als verdachte en de vrouw herkend als [medeverdachte] . Op het onderzoek ter zitting hebben verdachte en [medeverdachte] bevestigd dat zij bij het incident betrokken zijn geraakt, waarbij het tot een treffen met aangeefster is gekomen. De rechtbank acht de aangifte betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij is van belang dat aangeefster ook heeft verklaard dat zij is ingegaan op de provocaties door [medeverdachte] , beide verdachten heeft uitgescholden en dat de aangifte steun vindt in andere bewijsmiddelen. Uit de fotobijlagen die bij de aangifte zijn gevoegd is te zien dat aangeefster een bloeduitstorting en zwelling op de linkerwang heeft. Er bevinden zich ook een bloeduitstorting op de linkerzijde bij de kin en twee rode verkleuringen aan de rechterkant van het gelaat, ter hoogte van het jukbeen. Aangeefster is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Op de spoedeisende hulp is de diagnose gesteld dat er sprake is van een trauma capitis, oftewel hoofd- en hersenletsel. De symptomen bestaan uit pijn op de linkerwang en het achterhoofd, waarbij een aanhoudend duizelig en licht gevoel blijft optreden bij beweging van het hoofd. De aangifte wordt ook ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] . Volgens deze getuige heeft de vrouwelijke medeverdachte aan de trui van aangeefster getrokken en haar geduwd. De mannelijke verdachte heeft aangeefster geslagen, waarna zij op de stenen ten val is gekomen. Vervolgens heeft de mannelijke verdachte ook getuige geslagen. [getuige 2] heeft verklaard dat hij een vrouw op de grond zag liggen en dat er nog een andere vrouw in het gezicht werd geslagen. Hij zag dat zijn vriendin EHBO verleende aan het slachtoffer dat later door het ambulancepersoneel naar het ziekenhuis is meegenomen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is hoe de handelingen van verdachte en [medeverdachte] moeten worden gekwalificeerd. De kwalificatie De rechtbank is van oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan de vechtpartij door aangeefster te slaan, waarna aangeefster op de grond is gevallen. Verdachte heeft daarmee een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het gewelddadige handelen. Hij heeft met zijn gedragingen het geweld van [medeverdachte] op aangeefster voortgezet en in hevigheid verergerd. Aangeefster is immers uitgeschakeld door de slag in het gezicht. Bovendien heeft verdachte bewust een keuze gemaakt om de confrontatie niet uit de weg te gaan. Het opzet op het geweld is daarmee bewezen. Het geweld vond plaats op de openbare weg, tijdens een drukbezochte carnavalsoptocht. Het element ‘openlijk’ kan daarom ook worden bewezenverklaard. Conclusie: De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en zich dus schuldig heeft gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld. Het dossier bevat onvoldoende bewijs voor het ten laste gelegde schoppen, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 februari 2024 te Bergen op Zoom, openlijk, te weten in de Koepelstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , welk geweld bestond uit: - het bij de arm pakken en - het duwen en - het in het gezicht slaan. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Bespreking van het verweer De raadsman heeft bepleit dat het handelen van verdachte en [medeverdachte] moet worden beschouwd als een adequate verdediging tegen aangeefster, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het verweer wordt door de rechtbank begrepen als een beroep op noodweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster is weggelopen en aanvankelijk niet heeft gereageerd op de eerste aanraking van [medeverdachte] . Verdachte en [medeverdachte] zijn op aangeefster afgekomen en niet andersom. Het initiatief tot geweld is dus van verdachte en [medeverdachte] uitgegaan. De verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat aangeefster geweld jegens hen heeft gebruikt, worden door geen enkel bewijsmiddel ondersteund. Gelet hierop acht de rechtbank het door verdachte genoemde scenario niet aannemelijk en verwerpt zij het verweer. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uur. Daarnaast wordt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf geëist voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en verzocht daarmee rekening te houden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich op 13 februari 2024 in Bergen op Zoom schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen het slachtoffer [benadeelde] . Het gewelddadige optreden heeft fors en blijvend letsel in het gezicht van het slachtoffer veroorzaakt. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daar vaak nog lang nadien nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Bovendien draagt het hier aan de orde zijnde geweld bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel en bij de omstanders in het bijzonder. Verdachte heeft op zitting gewezen op de schuld van het slachtoffer en zijn eigen aandeel gebagatelliseerd. Hij heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Het oriëntatiepunt bij openlijk geweld, met enig letsel ten gevolge, is een taakstraf voor de duur van honderdvijftig uur. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop aanleiding om hiervan in strafmatigende zin af te wijken. Alles afwegende, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van negentig uur passend en geboden. 7De benadeelde partij De standpunten De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de vordering tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van maximaal € 350,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.