← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:671

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/443163 FA RK 25-6525 datum uitspraak: 2 februari 2026 beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. D.W.L. Cloots te Bergen op Zoom , en [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. E.C.G. Vermue te Roosendaal. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

  1. Het procesverloop 1.
  2. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 25 november 2025 ontvangen verzoekschrift (provisioneel en bodem C/02/443164 FA RK 25/6526) met bijlagen 1-7; - het op 5 januari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen 1-10; - het F9-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Cloots met bijlage
  3. 2De feiten 2.
  4. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn uit elkaar gegaan rond juni
  5. 2.
  6. Partijen hebben het volgend minderjarig kind: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag]
  7. Zij is door de man erkend. 2.
  8. Partijen zijn gezamenlijk met het gezag belast. 2.
  9. Partijen hebben een ouderschapsplan opgemaakt. 2.
  10. Tussen partijen geldt een co-ouderschapsregeling als volgt. Voor de even weken geldt dat de minderjarige als volgt bij partijen verblijft: - maandagmiddag na school - dinsdagochtend voor school bij de man; - dinsdagmiddag na school - donderdagochtend voor school bij de vrouw; - donderdagmiddag na de BSO - dinsdagochtend voor school (oneven week) bij de man; en in de oneven weken als volgt: - vanaf donderdagmiddag na school bij de man in de even weken - dinsdagochtend voor school bij de man; - dinsdagmiddag na school - woensdagmiddag voor dansles bij de vrouw; - woensdagmiddag na dansles (16.45 uur) – vrijdagmiddag 17.30 uur bij de man; - vrijdagmiddag om 17.30 uur – maandagochtend voor school in de even weken bij de vrouw. De wisselingen vinden plaats door het naar school brengen en van school ophalen en het naar de dansles brengen en van de dansles ophalen van de minderjarige. 3De verzoeken 3.
  11. De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de huidige omgangsregeling te stoppen dan wel omgang met vader uitsluitend onder toezicht en onder strikte voorwaarden te laten plaatsvinden zoals de rechtbank in goede justitie oordeelt; een voorlopige toewijzing van de kinderalimentatie waarna in de bodem een definitieve vaststelling van de kinderalimentatie wordt gevorderd; vervangende toestemming voor het proefdraaien op een openbare school in [plaats] , bij voorkeur [naam] . 3.
  12. De man voert verweer strekkende tot niet ontvankelijkheid van de vrouw in haar provisionele verzoeken. 3.
  13. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan. 4De beoordeling Ontvankelijkheid 4.
  14. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). Zorgregeling 4.
  15. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot het stopzetten van de omgangsregeling dan wel omgang uitsluitend onder toezicht en onder strikte voorwaarden te laten plaatsvinden samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek. 4.
  16. De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. 4.
  17. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de stellingen van de vrouw, sprake van voldoende belang in die zin dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht. Bovendien is dit belang door de man niet betwist. Standpunten 4.
  18. De vrouw heeft aan haar verzoek, kort samengevat en voor zover relevant, het volgende ten grondslag gelegd. Zij wil het co-ouderschap niet langer voortzetten nu zij zich zorgen maakt over de veiligheid de minderjarige. Zij wil dat de minderjarige bij haar komt wonen zodat zij veilig is. De man kampt met verslavingsproblematiek van alcohol en drugs maar hij erkent niet dat hij een probleem heeft. Er zijn veel incidenten geweest. Zij wijst op enkele voorvallen onder andere waarbij de minderjarige bij de man was terwijl de man dronken was en zij wijst op telefonische contacten tussen de man en de vrouw of andere personen waarbij de man dronken was. De minderjarige was daarbij aanwezig en getuige van het gedrag van de man. De vrouw heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis (VT) en VT adviseerde haar om maatregelen te treffen. Het is juist dat de vrouw er in december jl. voor koos om de minderjarige een dag eerder naar de man toe te laten gaan omdat zij met haar partner naar Ibiza op vakantie ging. Zij geeft daartoe aan dat zij verplicht was zich aan de regeling te houden en dat de man en de minderjarige wel een goede band moeten houden. Zij had VT, haar ouders en haar oudste kinderen daarover ingelicht. Er is vanaf oktober jl. geen moment geweest dat zij, zoals VT adviseerde, de minderjarige bij de man op moest halen omdat de man op dat moment dronken was. Dat was omdat zij of geen contact met de man kon krijgen of omdat de man niet onder invloed was. De man wil niet meewerken aan hulpverlening. Er moet voorkomen worden dat er een incident gaat gebeuren; de vrouw vreest ervoor dat dat sowieso gaat gebeuren. De vrouw wil een raadsonderzoek. Zij heeft voorts aangegeven mee te willen werken aan hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (UHA) onder de voorwaarden dat er afspraken gemaakt worden over drugs- en alcoholtesten. 4.
  19. De man voert verweer, kort samengevat en voor zover relevant als volgt. De vrouw heeft al langer de wens om de minderjarige in te schrijven op een basisschool in [plaats] ; dat verzoek werd niet in verband gebracht met de zorgen van de vrouw omtrent de veiligheid van de minderjarige. Later kwam de brief van de advocaat van de vrouw met het verzoek om medewerking aan een tijdelijke wijziging van de zorgregeling en aan de inschrijving van de minderjarige op een andere basisschool in [plaats] . De man vraagt zich af of de vrouw daadwerkelijk zorgen heeft over de minderjarige of dat deze zorgen dienen als middel om tot een uitgebreider contact tussen de vrouw en de minderjarige te komen waarbij de minderjarige wordt ingeschreven op een basisschool in [plaats] . De vrouw onderbouwt haar stellingen niet met objectief bewijs. Zij komt met een zelf opgesteld verslag van recente incidenten, namelijk van de periode na 24 augustus
  20. Het lijkt erop dat de vrouw is gestart met het opbouwen van een dossier nadat haar duidelijk werd dat de man geen toestemming zou geven voor inschrijving van de minderjarige op een school in [plaats] . De vrouw heeft het advies van VT niet opgevolgd. Zij heeft nog nooit naar aanleiding van zorgen de minderjarige bij de man opgehaald. Zij heeft de man ook niet voorgesteld om in gesprek te gaan over nieuwe afspraken in verband met de veiligheid van de minderjarige. Zij heeft de minderjarige, waarschijnlijk in verband met haar vakantie naar Ibiza, juist een dag eerder naar de man gebracht. De man heeft geen alcohol- en/of drugsverslaving. Hij drinkt alcohol maar alleen in het weekend. Als de man bier drinkt, ook al is het er maar één, dan heeft dat invloed op zijn spraak en de vrouw is daarmee bekend. Hij is bereid om af te spreken dat hij geen alcohol gebruikt als de minderjarige bij hem is en zich te onderwerpen aan alcohol- en drugstesten. De man geeft over de door de vrouw overgelegde app-correspondentie tussen partijen waarin hij erkent dat het ‘ineens zit dat in mijn hoofd en dan gaat het fout’, aan dat hij om van het gezeur van de vrouw af te zijn geneigd is toe te geven en pleasend gedrag te vertonen. De man wil een raadsonderzoek waarbij de instanties ook bij de vrouw thuis gaan kijken. Hij staat ook open voor hulpverlening via het UHA. 4.
  21. De Raad heeft tijdens de zitting het volgende aangevoerd. De Raad adviseert om de zorgregeling zoals die is afgesproken tussen partijen door te laten lopen en daarbij de man zelf drugs- en alcoholtesten te laten uitvoeren. Er is niet gebleken dat de school zorgen heeft over de minderjarige. Er is wel een advies van VT maar daaraan is door de vrouw geen gevolg gegeven. De vrouw is wel op vakantie naar Ibiza gegaan. Tussen oktober jl. en nu is het rustig gebleven. Er zijn geen signalen geweest van drugs- en of alcoholgebruik maar dat kan ook zijn doordat er geen contact meer is geweest tussen ouders. Een raadsonderzoek voor de bodemprocedure wordt geadviseerd. Raadsonderzoek 4.
  22. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van hetgeen uit de stukken volgt en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, zijn bij de rechtbank, net als bij de Raad zorgen gerezen over de minderjarige. De standpunten van partijen staan lijnrecht tegenover elkaar. De vrouw stelt dat sprake is van drugs- en drankgebruik van de man, waardoor zij zorgen heeft over de veiligheid van de minderjarige op de momenten waarop de minderjarige bij de man is. De man ontkent dat daarvan sprake is. De Raad heeft een raadsonderzoek voor de bodemprocedure tussen partijen geadviseerd. 4.
  23. De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, in het belang van de minderjarige een raadsonderzoek ten behoeve van de bodemprocedure tussen partijen noodzakelijk. De rechtbank verzoekt de Raad, locatie Middelburg, daarom een onderzoek te doen naar de volgende vragen en rapport en advies uit te brengen in de reeds aanhangige bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/02/443164 FA RK 25/6526 als volgt: zijn er in het belang van de minderjarige bezwaren om de huidige zorgregeling (co-ouderschapsregeling) te stoppen of om de contacten tussen de man en de minderjarige uitsluitend onder toezicht en onder strikte voorwaarden te laten plaatsvinden? En, zo ja, welke zorgregeling is dan in het belang van de minderjarige? is een wijziging van school in die zin dat de minderjarige naar een openbare school ( [naam] ) in [plaats] zal gaan, in het belang van de minderjarige? Voorlopige zorgregeling 4.
  24. In afwachting van het raadsonderzoek voor de bodemprocedure hebben partijen de navolgende voorlopige afspraken gemaakt: de zorgregeling blijft doorlopen; op de donderdag- vrijdag- en zaterdagavond waarop de minderjarige bij de man verblijft, vindt er om 21.00 uur telefonisch contact plaats tussen de vrouw en de man, waarbij de vrouw contact opneemt met de man en het telefoongesprek hooguit vijf minuten zal duren. De vrouw checkt in bij de man om gerustgesteld te worden; ook op de zondagmiddagen als de minderjarige bij de man verblijft is er om 16.00 uur een telefonisch contact tussen partijen; op zondagmiddag om 12.00 uur is er telefonisch contact tussen de minderjarige en de ouder waar zij op dat moment niet verblijft; de man neemt alcohol- en drugstesten af zowel voorafgaand aan de contactmomenten met de minderjarige als na die contactmomenten, waarbij de uitslagen digitaal met de vrouw worden gedeeld met daarbij zoveel mogelijk verifieerbare gegevens zoals datum en tijdstip waarop de test is afgenomen; de kosten van de alcohol- en drugstesten worden tussen partijen gedeeld; partijen zullen zich samen wenden tot de gemeente waar de minderjarige staat ingeschreven om via het Centrum voor Jeugd en Gezin een hulpverleningstraject te starten zoals de Raad dat adviseert, teneinde de communicatie tussen partijen te verbeteren en met betrekking tot de zorgen die de vrouw heeft over de minderjarige als de minderjarige bij de man verblijft. 4.
  25. De rechtbank zal de door partijen overeengekomen voorlopige zorgregeling vastleggen nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet. 4.
  26. De rechtbank benadrukt dat het in het belang van de minderjarige is dat partijen zich reeds nu al conform hun afspraak gaan wenden tot het CJG voor een hulpverleningstraject, zoals ook door de Raad is geadviseerd. Kinderbijdrage en verzoek vervangende toestemming proefdraaien 4.
  27. De vrouw heeft na de schorsing aangegeven haar verzoeken omtrent de voorlopige kinderbijdrage en de vervangende toestemming voor het proefdraaien op een openbare school in [plaats] , bij voorkeur [naam] , niet te handhaven. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen op onderstaande wijze. 5De beslissing De rechtbank: 5.
  28. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de zorgregeling (co-ouderschapsregeling) zoals die thans geldt en onder 2.
  29. van de feiten is opgenomen, blijft doorlopen, zulks met inachtneming van de verdere afspraken die partijen over de zorgregeling hebben gemaakt zoals die zijn opgenomen onder rechtsoverweging 4.
  30. van deze beschikking; 5.
  31. verzoekt de Raad onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder rechtsoverweging 4.
  32. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren in de reeds aanhangige bodemprocedure met zaak- en rekestnummer: C/02/443164 FA RK 25/6526 en bepaalt dit rapport bij de rechtbank moet worden ingediend uiterlijk twee weken vòòr de zitting in de bodemzaak op [datum] 2026 om [tijdstip] uur, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen; 5.
  33. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 februari
  34. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.