RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/442338 FA RK 25-6082 datum uitspraak 2 februari 2026 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. V.J.C. Pieters te Goes, en [de man] , wonende te [woonplaats] , thans verblijvende te [plaats 1] , te dezer zake uitdrukkelijk woonplaats kiezende te [plaats 2] ten kantore van zijn advocaat, hierna te noemen de man, advocaat mr. J.D. Bakker te [plaats 2] . Ouders van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014 en - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2]
- Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
- Het procesverloop 1.
- Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 26 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1-12; - het op 6 januari 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met 3 bijlagen; - het F9-formulier d.d. 11 december 2025 van mr. Pieters; - het F9-formulier d.d. 11 december 2025 van mr. Bakker. 1.
- De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 12 januari
- Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Voorts was aanwezig [piketmediator] , in het kader van de pilot ‘mediation in voorlopige voorzieningen’. 1.
- De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben op 12 januari 2026 een gesprek met de kinderrechter gevoerd. De kinderrechter heeft op de zitting van 12 januari 2026 samengevat wat de minderjarigen naar voren hebben gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. 2De verzoeken 2.
- De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- toevertrouwing van de minderjarigen aan haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij de minderjarigen bij de man verblijven gedurende eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 20.00 uur alsmede een gedeelte van de vakanties en een gedeelte van de algemeen erkende feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen, enkel en alleen onder de voorwaarde dat de nieuwe partner van de man niet aanwezig zal zijn tijdens de zorgregeling, dan wel een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 622,50 per maand per minderjarige, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift dan wel een zodanige ingangsdatum en een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 1.500,= per maand met ingang van de datum van dit verzoekschrift dan wel met ingang van een zodanige datum en een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht; 2.
- De man verzoekt, samengevat, bij beschikking: - het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarigen aan de vrouw toe te wijzen; - het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage van € 622,50 per maand per minderjarige toe te wijzen; - het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie van € 1.500,= per maand af te wijzen, althans te beperken tot € 1.127,= bruto per maand; en voorts bij wijze van zelfstandig verzoek: - vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als beschreven in het lichaam van zijn verzoekschrift althans een zodanige regeling als de rechtbank in de gegeven omstandigheden rechtvaardig acht; - te bepalen dat ieder de eigen proceskosten draagt. 2.
- Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan. 3De beoordeling Toevertrouwing minderjarigen 3.
- De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen, gelet op de instemming van de man en nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet, als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Kinderbijdrage 3.
- De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage van € 622,50 per minderjarige per maand, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift, gelet op de instemming van de man en nu dit de rechtbank niet ongegrond voor komt, op onderstaande wijze toewijzen. Zorgregeling 3.
- Tijdens de zitting zijn met beide partijen, hun advocaten en de vertegenwoordiger van de Raad de standpunten besproken. Vervolgens is de zitting geschorst voor overleg tussen partijen. Toen de zitting weer werd hervat, hebben partijen aangegeven dat zij overeenstemming over de zorgregeling hebben bereikt als volgt: - het weekend na de zitting haalt de man de minderjarigen op 16 januari 2026 uit school en verblijven zij tot zaterdag 16.00 uur bij de man; - vervolgens zal er wekelijks contact zijn tussen de man en de minderjarigen, waarmee wordt gestart op donderdag 22 januari 2026, achtereenvolgens als volgt: de ene week van donderdag uit school tot vrijdagochtend; de andere week van vrijdag uit school tot zondagavond 20.00 uur. - de vakanties en feestdagen regelen partijen in onderling overleg met elkaar. De rechtbank zal de door partijen overeengekomen zorgregeling vastleggen op onderstaande wijze nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet. Partneralimentatie 3.
- In geschil tussen partijen is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Behoefte en aanvullende behoefte 3.
- Partijen zijn het erover eens dat bij de behoefteberekening van de man kan worden aangesloten en dat de behoefte van de vrouw dan € 5.106,= netto per maand bedraagt en haar aanvullende netto behoefte € 4.069,= per maand bedraagt. Draagkracht 3.
- Tijdens de zitting zijn de door partijen overgelegde berekeningen besproken. Hieruit is gebleken dat partijen het er in beginsel over eens zijn dat de man een draagkracht heeft van € 1.127,= bruto per maand. Dit betekent dat het mogelijk toe te wijzen bedrag aan partneralimentatie zou worden beperkt door de draagkracht van de man. 3.
- De vrouw heeft echter aangevoerd dat zij, hoewel zij kan volgen dat de draagkracht van de man € 1.127,= per maand is, haar verzoek tot het vaststellen van een partneralimentatie van € 1.500,= per maand zal handhaven. Zij werkte een aantal uren voor haar broer, hetgeen zij nu nog steeds doet. De B.V. van de man stuurde een rekening naar de B.V. van de broer van de vrouw en de vrouw had daarmee een inkomen van € 3.000,= bruto per maand. Zij krijgt van haar broer niet die € 3.000,= bruto per maand. Van de € 3.000,= blijft € 1.500,= bruto in de B.V. van de man zitten. Daarmee kan de man zijn salaris verhogen, aldus de vrouw. 3.
- De man heeft aangevoerd dat het niet goed gaat met de zaken, de man kan daarom niet instemmen met het verzoek van de vrouw. Het overleggen van jaarstukken en recente financiële stukken in deze procedure gaat te ver en hij wil bovendien niet vooruitlopen op de bodemprocedure. 3.
- De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De vrouw heeft ingestemd met een draagkracht van de man van € 1.127,= bruto per maand en zij heeft, in het licht van het verweer van de man, op geen enkele wijze nader met stukken onderbouwd dat de draagkracht van de man toereikend is om een bijdrage van € 1.500,= bruto per maand te voldoen. De vrouw wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat de man € 1.500,= per maand kan bijdragen. Ingangsdatum 3.
- Partijen zijn het eens over de ingangsdatum van de partneralimentatie van 26 november
- Conclusie 3.
- Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van de minderjarigen, per 26 november 2025 € 1.127,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen. 3.
- Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.
- Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. 4De beslissing De rechtbank: 4.
- bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017; 4.
- bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, wekelijks, met ingang van donderdag 22 januari 2026 achtereenvolgens als volgt: de ene week van donderdag uit school tot vrijdagochtend; de andere week van vrijdag uit school tot zondagavond 20.00 uur; en gedurende een deel van de vakanties en feestdagen nader in onderling overleg door partijen te regelen; 4.
- bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen met ingang van 26 november 2025 wordt vastgesteld op € 622,50 per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen; 4.
- bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 26 november 2025 wordt vastgesteld op € 1.127,= per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen; 4.
- compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.
- wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.