← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:740

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/440246 FA RK 25-4972 Datum uitspraak: 2 februari 2026 beschikking over gegrondverklaring ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling vaderschap in de zaak van [de moeder] , hierna: de moeder, wonende in [plaats] , advocaat: mr. E. Kocabas-Güler in Zoetermeer. Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025, hierna: [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. D.R.M. de Vos in haar hoedanigheid van bijzondere curator, [de juridische vader] , hierna: de juridische vader, wonende in [plaats] , [de vermoedelijke biologische vader] , hierna: de vermoedelijke biologische vader, wonende te [plaats] . 1Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: het op 23 september 2025 ontvangen verzoek, met bijlagen; het F-formulier met bijlage van mr. Kocabas-Güler van 30 september 2025; het F-formulier van mr. Kocabas-Güler van 1 oktober 2025; de in deze zaak gegeven beschikking van de rechtbank tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] van 17 oktober 2025; het op 10 december 2025 ontvangen verslag van de bijzondere curator. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 januari

  1. Bij die behandeling zijn (in verband met de weeromstandigheden via beeldbellen) verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vermoedelijke biologische vader en de bijzondere curator. De moeder en de vermoedelijke biologische vader zijn bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. De juridische vader is, hoewel juist opgeroepen, niet verschenen. 2De verzoeken De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader over [minderjarige] ; II. het vaderschap van de vermoedelijke biologische vader over [minderjarige] vast te stellen; III. de achternaam van [minderjarige] te wijzigen in de achternaam van de vermoedelijke biologische vader, en daarmee in [achternaam] ; IV. althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank in goede justitie mocht vernemen te behoren. 3De beoordeling Feiten en omstandigheden 3.1 Bij beschikking van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank mr. D.R.M. de Vos benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen. 3.2 Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast: - de juridische vader en de moeder zijn op 14 oktober 2017 in Polen met elkaar gehuwd; - de moeder is op [geboortedag 1] 2025 te [geboorteplaats 1] bevallen van [minderjarige] ; - de juridische vader staat als vader geregistreerd op de geboorteakte van [minderjarige] ; - de moeder, de juridische vader, de vermoedelijke biologische vader en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit en hun gewone verblijfplaats in Nederland. Internationale bevoegdheid 3.3 Vanwege het feit dat alle belanghebbenden de Poolse nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek. 3.4 In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Belanghebbenden hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland, dus de Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van de verzoeken van de moeder. 3.5 Op grond van artikel 265 Rv is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. [minderjarige] is woonachtig in de gemeente Tilburg , zodat deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Standpunten van partijen 3.6 Uit het verzoek van de moeder, het verslag van de bijzondere curator en de zitting is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] is geboren tijdens het huwelijk van de moeder en de juridische vader. Deze relatie is verbroken. De moeder heeft in juni 2024 de echtelijke woning verlaten. Het echtscheidingsverzoek is ingediend op 28 juli
  2. De echtscheidingsprocedure is nog niet afgerond, omdat de rechtbank het verzoek tot echtscheiding heeft aangehouden in afwachting van de onderhavige beslissing. De juridische vader heeft tegenover de bijzondere curator verklaard dat hij na mei 2023 geen gemeenschap meer heeft gehad met de moeder. Hij kan dus niet de verwekker zijn van [minderjarige] . De juridische vader stemt in met de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. De bijzondere curator heeft geadviseerd dat dit verzoek in het belang van [minderjarige] kan worden toegewezen. De moeder en de vermoedelijke biologische vader zijn er volledig van overtuigd dat de vermoedelijke biologische vader de verwekker van [minderjarige] is. Zij woonden al samen ten tijde van de verwekking van [minderjarige] en dragen nu samen de verzorging en opvoeding over haar. De moeder wil graag dat het vaderschap van de vermoedelijke biologische vader over [minderjarige] gerechtelijk wordt vastgesteld, omdat dit terugwerkende kracht tot haar geboorte heeft. De vermoedelijke biologische vader stemt in met de gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap. De bijzondere curator heeft geen bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek en het verzoek tot wijziging van de achternaam van [minderjarige] . Beoordeling verzoek ontkenning vaderschap Toepasselijk recht 3.7 In artikel 10:93, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 10:92 BW in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door het recht dat volgens artikel 10:92 BW op het bestaan van die betrekking toepasselijk is. In artikel 10:92, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon of gehuwd geweest zijnde persoon wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en die persoon elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van het eerste lid bepalend is het tijdstip van de geboorte van het kind dan wel, indien het huwelijk van de ouders voordien is ontbonden, dat van de ontbinding. 3.8 De moeder en de juridische vader hadden ten tijde van de geboorte van [minderjarige] beiden de Poolse nationaliteit. Dit betekent dat het Poolse recht van toepassing is. Beoordeling 3.9 Op basis van de overgelegde stukken staat vast dat de moeder en de juridische vader op 14 oktober 2017 met elkaar zijn gehuwd. Dit huwelijk is nog niet ontbonden. Omdat [minderjarige] is geboren op [geboortedag 1] 2025, is zij binnen het huwelijk tussen de moeder en de juridische vader geboren. 3.10 Op grond van het Poolse Wetboek van Familie en Voogdij (Fw) (Kodeks rodzinny i opiekuńczy) wordt als vader van een kind beschouwd de man die op grond van het wettelijk omschreven vermoeden van vaderschap als vader van het kind wordt gezien. Op grond van artikel 62 Fw wordt, als het kind staande een huwelijk wordt geboren, de echtgenoot van de moeder als de vader van het kind beschouwd. 3.11 De moeder kan een vordering tot ontkenning van het vaderschap van haar echtgenoot op basis van artikel 69 Fw indienen binnen één jaar vanaf de dag waarop zij ontdekt dat het kind niet van hem is. De moeder heeft het verzoek tijdig ingediend en is dus ontvankelijk in haar verzoek. Op grond van artikel 67 Fw kan de ontkenning van het vaderschap plaatsvinden door aan te tonen dat de echtgenoot van de moeder niet de vader van het kind is. 3.12 Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat voldoende is aangetoond dat de juridische vader niet de verwekker van [minderjarige] is. De rechtbank acht toewijzing van het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in het belang van [minderjarige] . De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen. Beoordeling verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap Toepasselijk recht 3.13 In artikel 10:97, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van het eerste lid het tijdstip van de indiening van het verzoek bepalend is. De moeder en de vermoedelijke biologische vader hebben de Poolse nationaliteit, dus het Poolse recht is van toepassing op dit verzoek. 3.14 Op grond van artikel 84 Fw kan het vaderschap gerechtelijk worden vastgesteld op verzoek van de moeder, voordat het kind meerderjarig is geworden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek. 3.15 Op grond van artikel 85 Fw kan het vaderschap gerechtelijk worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat de man de biologische vader van het kind is. 3.16 De moeder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vermoedelijke biologische vader de verwekker is van [minderjarige] . Er bestaat bij de moeder en de vermoedelijke biologische vader geen twijfel daarover. De rechtbank acht een verwantschapsonderzoek daarom niet nodig. De rechtbank zal het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de vermoedelijke biologische vader over [minderjarige] toewijzen. Hoewel in de jurisprudentie wordt getwijfeld aan het belang van de vaststelling van het vaderschap als er ook een mogelijkheid is tot erkenning van het kind, acht de rechtbank de meerwaarde van de terugwerkende kracht bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in dit geval groot. De moeder en de vermoedelijke biologische vader woonden al samen ten tijde van de verwekking en gedurende de zwangerschap en zij dragen sinds de geboorte van [minderjarige] samen de verzorging en opvoeding. Het is in het belang van [minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie sinds haar geboorte. 3.17 Over het gezag overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende. Tijdens de zitting is gebleken dat de moeder en de vermoedelijke biologische vader een groot belang hechten aan het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . De advocaat van de moeder heeft daarover aangegeven dat zij [minderjarige] gaan registreren bij de Poolse autoriteiten en dat de vermoedelijke biologische vader dan van rechtswege mede het gezag over [minderjarige] zal krijgen. De rechtbank merkt hierover op dat op grond van artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. [minderjarige] is in Nederland geboren en altijd daar woonachtig geweest. Haar gewone verblijfplaats ligt daarom in Nederland. Door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ontstaat er géén gezamenlijk ouderlijk gezag tussen de moeder en de vermoedelijke biologische vader. Om naar Nederlands recht gezamenlijk gezag te doen laten ontstaan, dienen zij dus nog gezamenlijk een aantekening in het gezagsregister te laten maken. Beoordeling verzoek wijziging achternaam Toepasselijk recht 3.18 In artikel 10:19, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, de geslachtsnaam van een vreemdeling wordt bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. [minderjarige] heeft de Poolse nationaliteit, daarom is het Poolse recht van toepassing op dit verzoek. 3.19 Op grond van artikel 89 Fw draagt het kind de geslachtsnaam die door de rechtbank is aangewezen in de procedure inzake de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het kind draagt de achternaam die is aangegeven in de gezamenlijke verklaring van de moeder en vader, wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld. Zij kunnen de achternaam van één van hen kiezen of een achternaam vormen door de achternaam van de moeder te combineren met die van de vader van het kind. 3.20 De moeder en de vermoedelijk biologische vader hebben gezamenlijk verklaard dat de achternaam van [minderjarige] ‘ [achternaam] ’, de vrouwelijk vorm van de achternaam van de vermoedelijke biologische vader, zal zijn. De rechtbank zal dit overnemen. Beëindiging taak van de bijzondere curator 3.21 De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. 3.22 Het voorgaande betekent dat als volgt wordt beslist. 4De beslissing De rechtbank 4.1 verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van de heer [de juridische vader] , geboren te [geboorteplaats 2] te Polen op [geboortedag 2] 1990, ten aanzien van de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025; 4.2 stelt het ouderschap vast van [de vermoedelijke biologische vader] , geboren te [geboorteplaats 3] te Polen op [geboortedag 3] 1991 met betrekking tot de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025; 4.3 verstaat dat genoemde minderjarige de geslachtsnaam [achternaam] heeft; 4.4 beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 4.5 draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg om daarin aantekening te doen van deze beschikking. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas, griffier. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.