beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummers: C/02/440756 / FA RK 25-5245 en C/02/444050 / FA RK 26-261 datum uitspraak: 5 februari 2026 beschikking over adoptie en voornaamswijziging inzake C/02/440756 / FA RK 25-5245 [adoptieouder 1] en [adoptieouder 2] , verzoekers, hierna: (aspirant) adoptieouders, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. E.P.J. Appelman in Alkmaar, De rechter merkt als belanghebbenden aan: [verzoekster] , hierna: [verzoekster] , wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. E.P.J. Appelman in Alkmaar, [de vader] , hierna: de vader, wonende te [woonplaats 3] , [de moeder] , hierna: de moeder, wonende te [woonplaats 4] . inzake C/02/444050 / FA RK 26-261 [verzoekster] , verzoekster, hierna: [verzoekster] , wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. E.P.J. Appelman in Alkmaar 1Het procesverloop 1.1 In de dossiers zitten de volgende stukken: - het op 9 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het F-formulier van 16 oktober 2025 van mr. Appelman met daarbij een ondertekend verzoekschrift; - de e-mail van de vader van 29 oktober 2025; - het F-formulier met bijlage van 30 oktober 2025 van mr. Appelman, - het F-formulier van 6 januari 2026 van mr. Appelman, - de brief met bijlage van 7 januari 2026 van mr. Appelman, - het door [verzoekster] ter zitting voorgelezen stuk, - de brief van de rechtbank van 16 januari 2026 aan mr. Appelman (inzake C/02/444050 / FA RK 26-261). 1.2 Mr. Appelman heeft desgevraagd aangevoerd dat de verzoeken tot adoptie en voornaamwijziging in zijn optiek connexe verzoeken zijn. Om die reden zijn de verzoeken in één verzoekschrift verwoord. De rechtbank is van oordeel dat de door mr. Appelman gedane verzoeken in het verzoekschrift niet als één zaak kunnen worden aangemerkt, omdat het verschillende verzoekers betreft. Het verzoek tot wijziging van de voornaam van [verzoekster] heeft daarom onvoldoende connexiteit met het verzoek tot adoptie door de adoptieouders. De verzoeken zijn vervolgens aangemerkt als afzonderlijke verzoeken en hebben afzonderlijke zaaknummers verkregen. De verzoeken zijn wel gezamenlijk behandeld op de zitting. 1.3 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 januari
- Bij die behandeling zijn gekomen de adoptieouders en [verzoekster] , bijgestaan door mr. Appelman. De vader en de moeder zijn correct opgeroepen, maar zijn niet gekomen. Aan dhr. [persoon] , partner van [verzoekster] , is bijzondere toegang als toehoorder verleend. 2De feiten 2.1 Op basis van de stukken in het dossier staat het volgende vast. - [verzoekster] is op [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats 1] geboren. - Zij is de dochter van de vader en de moeder. - [verzoekster] is sinds medio 2006 verzorgd en opgevoed door de adoptieouders, als zijnde haar pleegouders. - Bij beschikking van de rechtbank Breda van 29 juli 2008 zijn de vader en de moeder ontheven uit het gezag over [verzoekster] . De vader is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking. Bij beschikking van 13 januari 2009 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is de beschikking van 29 juli 2008 vernietigd. Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juni 2011 is de vader alsnog ontheven uit het gezag over [verzoekster] en is Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant benoemd tot voogdes. - [verzoekster] is op [geboortedag 1] 2021 meerderjarig geworden. - Belanghebbenden hebben allen de Nederlandse nationaliteit. 3De verzoeken 3.
- De adoptieouders verzoeken: I. de adoptie uit te spreken van [verzoekster] door hen, II. te verstaan dat de geslachtsnaam van [verzoekster] zal luiden: [geslachtsnaam adoptieouder 1] . [verzoekster] heeft verzocht de voornaam van [verzoekster] te wijzigen in ‘ [voornaam verzoekster] ’, zodat ze voortaan (met de adoptie) zal zijn geheten: ‘ [nieuwe voor- en geslachtsnaam] ’. 4De beoordeling Verzoek adoptie 4.1 De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:227, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. Het verzoek kan op grond van artikel 1:227, derde lid, BW vervolgens alleen worden toegewezen als de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan. 4.2 De vader heeft per e-mail van 29 oktober 2025 aan de rechtbank laten weten geen bezwaar te hebben tegen het verzoek. Hij heeft daarbij aangegeven niet naar de zitting te komen, omdat hij niet inziet dat hij iets zou kunnen bijdragen aan de kwestie. De moeder is niet ter zitting verschenen. [verzoekster] is, vanwege een uithuisplaatsing, sinds haar derde levensjaar verzorgd en opgevoed door de adoptieouders. De adoptieouders en [verzoekster] hebben in het verzoek en tijdens de zitting aangegeven dat het contact tussen [verzoekster] en de vader is verbroken sinds haar vijfde en dat het contact tussen [verzoekster] en de moeder is verbroken sinds haar derde. [verzoekster] heeft vanaf 2009 nog wel via whatsapp contact gehad met haar moeder, maar dat is sinds 2025 gestopt. De vader en de moeder hebben dus al jaren geen structurele rol vervuld in het leven van [verzoekster] . De verwachting is ook niet dat dit in de toekomst nog zal gebeuren. Naast het feit dat [verzoekster] inmiddels meerderjarig is, heeft zij dus ook niets meer van de vader en de moeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten. 4.3 Op grond van artikel 1:228, eerste lid, BW dient voorts aan de navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan: dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; het kind niet een kleinkind van een adoptant is; dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is; at geen der ouders het verzoek tegenspreekt; dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt; dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed; dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. De rechtbank stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat aan de voorwaarden als bepaald in artikel 1:228 BW, eerste lid, is voldaan, behalve de voorwaarde als genoemd onder a. Vaststaat dat [verzoekster] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift namelijk 22 jaar oud en dus meerderjarig was, zodat niet is voldaan aan deze voorwaarde. 4.4 Gelet op de (internationale) jurisprudentie op dit punt ligt aan de rechtbank de vraag ter beoordeling voor of een weigering om adoptie toe te staan in dit geval een ongeoorloofde inmenging in het gezins- of familieleven of privéleven van verzoekers en [verzoekster] oplevert, als bedoeld in artikel 8, leden 1 en 2, EVRM, en of om die reden toepassing van artikel 1:228 lid 1, aanhef en onder a, BW achterwege dient te blijven. 4.5 Hoewel adoptie door de wetgever primair werd gezien als een maatregel van kinderbescherming, gaat adoptie in haar effecten verder dan voor het doel van kinderbescherming vereist is. Bovendien grijpt zij in, in het afstammingsrecht, in het bijzonder waar zij familierechtelijke betrekkingen tot stand brengt tussen de adoptieouders en hun bloed- en aanverwanten enerzijds, en het adoptiekind en diens eventuele toekomstige echtgenoot en nakomelingen anderzijds, welke betrekkingen ook na het meerderjarig worden van het kind blijven bestaan en nog kunnen ontstaan. Daarnaast worden de familierechtelijke banden met de bestaande familieleden beëindigd. Betrokkenen kunnen bij het ontstaan van de hiervoor bedoelde familierechtelijke betrekkingen ook tijdens die meerderjarigheid nog belang hebben, ook al kan de adoptie wegens de bereikte meerderjarigheid niet meer het karakter van een maatregel van kinderbescherming hebben. De wet voorziet niet in een (andere) manier waarop die familiebanden na de bereikte meerderjarigheid nog zouden kunnen ontstaan. 4.6 Vooropgesteld moet worden dat aan artikel 8 lid 1 EVRM geen ongeclausuleerd recht op adoptie kan worden ontleend. Dat adoptie slechts mogelijk is als wordt voldaan aan de door de nationale wet daaraan gestelde eisen, levert dus op zichzelf bezien geen ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermd recht van family life op. Aan artikel 8 lid 1 EVRM kan wel het recht op bescherming van het gezinsleven tussen (pleeg)ouders en een door hen in hun gezin opgenomen kind worden ontleend, maar niet het recht om dat kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de wet in de artikelen 1:227 en 1:228 BW aan adoptie gestelde vereisten en voorwaarden (vgl. HR 30 juni 2000, NJ 2001, 103). Die voorwaarden zijn bovendien van openbare orde. Buiten toepassing laten van zo’n voorwaarde kan daarom slechts plaatsvinden als bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Een tweede aspect dat van belang is, is of de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar is. 4.7 De rechtbank is van oordeel dat aan de zijde van de adoptieouders sprake is geweest van (dermate ingrijpende) bijzondere omstandigheden, waardoor het buiten toepassing laten van de in artikel 1:228 lid 1, aanhef en onder a, BW neergelegde voorwaarde van minderjarigheid is gerechtvaardigd en acht ook de termijnoverschrijding voor de indiening van het verzoek verschoonbaar. Adoptieouders hebben vrijwel de hele jeugd van [verzoekster] als pleegouders voor haar gezorgd. Zij hebben niet eerder een verzoek tot adoptie van [verzoekster] gedaan, omdat zij uit professioneel oogpunt als pleegouders het uitgangspunt hadden dat [verzoekster] emotionele ruimte moest ervaren om een band met haar ouders te kunnen behouden. Een adoptieverzoek tijdens de minderjarigheid van [verzoekster] zou dat mogelijk in de weg staan, omdat daarmee de formele familiebanden tussen [verzoekster] en de vader en de moeder zouden worden verbroken. Daarnaast leunden de pleegouders ook sterk op jeugdbescherming (eerst door de ondertoezichtstelling en daarna als voogdes) vanwege onveilige situaties doordat de vader zich meermaals zeer bedreigend heeft opgesteld richting de pleegouders. Sinds dat [verzoekster] meerderjarig is geworden, is het voor haar steeds belangrijker geworden om de familieband die zij al vrijwel heel haar leven met de adoptieouders heeft te formaliseren. Zij heeft vrijwel haar hele leven al therapie door wat er met haar door haar biologische ouders is gebeurd. De adoptieouders zijn voor haar de enige ‘papa en mama’ die zij heeft, die er altijd voor haar zijn en van wie zij onvoorwaardelijke liefde ontvangt. Sinds haar achttiende levensjaar zijn de adoptieouders officieel haar pleegouders niet meer. Het voelt alsof zij op papier geen ouders meer heeft. Het betekent ontzettend veel voor haar om haar adoptieouders haar echte ouders te mogen noemen. Het zou ervoor zorgen dat zij zich minder eenzaam voelt. Het is een belangrijke stap voor haar in de verwerking van haar verleden. [verzoekster] heeft voor haar identiteitsvorming een zwaarwegend belang bij de adoptie, omdat dan de familieband met de adoptieouders juridisch wordt erkend. 4.8 Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een weigering om adoptie van [verzoekster] door de adoptieouders toe te staan, een ongeoorloofde inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van [verzoekster] en de adoptieouders, als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM, oplevert. Hoewel adoptie in dit geval niet meer het karakter heeft van een maatregel van kinderbescherming, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat [verzoekster] een zwaarwegend belang heeft bij het vestigen van een familierechtelijke betrekking met de adoptieouders, alsmede bij de juridische bevestiging van de emotionele band die zij met de adoptieouders heeft en van het gevoel dat zij tot één gezin en familie behoren. 4.9 De rechtbank acht de adoptie is in het kennelijke belang van [verzoekster] en zal dit verzoek daarom toewijzen. Verzoek geslachtsnaamwijziging 4.10 In artikel 1:5, zevende lid, BW staat dat, indien een kind op het tijdstip van het ontstaan van de familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien jaar of ouder is, verklaart het zelf in geval van adoptie ten overstaan van de rechter of het de geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal hebben of van beide ouders in een vrij te bepalen volgorde of bij adoptie, een geslachtsnaam die is gekozen overeenkomstig het derde lid. 4.11 [verzoekster] heeft verklaard dat zij de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam adoptieouder 1] ’ wil dragen. Verzoek voornaamswijziging 4.12 Op grond van artikel 1:4 lid 4 kan de wijziging van de voornamen op verzoek van de betrokken persoon door de rechtbank worden gelast. 4.13 Uit de overgelegde stukken en de zitting is de rechtbank gebleken dat voor de wijziging van de voornaam van [verzoekster] voldoende zwaarwichtig belang bestaat. [verzoekster] heeft uitdrukkelijk de wens haar voornaam te wijzigen. Haar officiële voornaam ‘ [oude voornaam] ’ brengt voor haar negatieve associaties teweeg met haar biologische ouders. De naam heeft zijn oorsprong in de Hare Krishna-beweging en is de keuze geweest van haar biologische ouders. Het is voor haar pijnlijk als mensen vragen stellen over haar voornaam. Het komt dan al snel ter sprake dat zij niet is opgegroeid bij haar biologische ouders en haar belaste verleden. ‘ [oude voornaam] ’ voelt niet als haar naam. Zij ervaart er veel last van. Ze is sinds kort verhuisd en sindsdien gebruikt zij de naam ‘ [voornaam verzoekster] ’. [verzoekster] wil haar verleden loslaten en daar is deze naamswijziging ondersteunend bij. 4.14 De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen en de wijziging van de voornaam gelasten naar ‘ [verzoekster] ’. 4.15 Gelet op het voorgaande zal worden beslist als volgt. 5De beslissing De rechtbank: In de zaak C/02/440756 / FA RK 25-5245: 5.1 spreekt uit de adoptie van [verzoekster] , geboren op [geboortedag 1] 2003 te [geboorteplaats 1] , door [adoptieouder 1] , geboren op [geboortedag 2] 1947 te [geboorteplaats 2] , en [adoptieouder 2] , geboren op [geboortedag 3] 1953 te [geboorteplaats 3] ; 5.2 verstaat dat zij de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam adoptieouder 1] ’ zal hebben; 5.3 draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Breda om daarin aantekening te doen van deze beschikking. In de zaak C/02/444050 / FA RK 26-261 5.4 gelast de wijziging van de voornaam van [oude voornaam] naar [voornaam verzoekster] , zodat zij voortaan ‘ [nieuwe voor- en geslachtsnaam] ’ zal heten; 5.5 draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Breda om daarin aantekening te doen van deze beschikking. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. Van Gessel, rechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.