Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2026:795
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2046 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. J. van ’t Veer-Metikos), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de inspecteur van 25 februari 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de inspecteur dit besluit heeft herzien.
1.1.
De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De inspecteur heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord is met de toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De inspecteur heeft voor de bezwaarfase reeds een bedrag van € 647,- toegekend en uitbetaald of verrekend. Daarnaast stelt de inspecteur dat belanghebbende de proceskosten voor de beroepsfase niet nader heeft onderbouwd, waardoor de inspecteur deze proceskostenveroordeling niet kan beoordelen.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
Is de inspecteur aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4.1.
Op 16 april 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. De inspecteur geeft in het verweerschrift van 22 juli 2025 aan dat de uitkeringslasten na 25 december 2025 ten onrechte zijn doorbelast aan belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de uitkeringslast gecorrigeerd zal worden en op basis daarvan een nieuwe beschikking gedifferentieerde premie werkhervattingskas 2024 wordt vastgesteld. Hiermee is de inspecteur tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.
Welk bedrag aan proceskosten moet de inspecteur aan belanghebbende vergoeden?
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 934. De totale vergoeding bedraagt dus € 934.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
Beslissing De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.