← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:811

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/431682 / FA RK 25-665 5 februari 2026 beschikking betreffende levensonderhoud in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de man, advocaat mr. A.R. van Wieren, en [de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. R.A. Korver. 1Het procesverloop 1.

  1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 10 februari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 27 mei 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende incidenteel verzoek, met bijlagen; - het op 24 juni 2025 ontvangen verweerschrift incidenteel verzoek, tevens overlegging aanvullende producties, met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Van Wieren van 4 augustus 2025; - het F9-formulier van mr. Korver van 5 augustus 2025; - de brief van de griffier aan beide advocaten van 7 augustus 2025; - het op 17 september 2025 van de vrouw ontvangen verweer op zelfstandig verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Van Wieren van 1 december 2025 met bijlagen. 1.
  2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 december
  3. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. 1.
  4. Na te noemen [minderjarige] is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. 2De feiten 2.
  5. Partijen hebben een affectieve relatie gehad van september 2006 tot december
  6. Uit deze relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag]
  7. De man heeft [minderjarige] erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf op het adres van de vrouw. 2.
  8. Na het verbreken van hun relatie hebben partijen in onderling overleg afspraken gemaakt, welke afspraken zijn vastgelegd in een op 10 mei 2016 door beide partijen ondertekend ouderschapsplan. 2.
  9. In dit ouderschapsplan zijn partijen ter zake de kinderalimentatie, het volgende overeengekomen: “6.1 Kinderalimentatie. Met ingang vanaf de datum dat moeder niet meer op [adres] woont en zolang [minderjarige] minderjarig is en bij moeder woont, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor [minderjarige] van € 1.600,= per maand voor woning, kleding en algemeen levensonderhoud. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2017.” 2.
  10. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen moet de man nu ten behoeve van [minderjarige] een bedrag van € 2.127,85 per maand aan de vrouw voldoen. 2.
  11. De verstandhouding tussen partijen is kort na het verbreken van de relatie verslechterd. Ook zijn de contacten tussen de man en [minderjarige] sindsdien beperkt. 2.
  12. In 2019 is de man een procedure gestart tot, kort samengevat, nakoming door de vrouw van de zorgregeling tussen hem en [minderjarige] . Deze procedure is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/02/369425 / FA RK 20-
  13. 2.
  14. In het kader van voormelde procedure heeft de man in oktober 2021 een (aanvullend) verzoek ingediend tot wijziging van de door hem ten behoeve van [minderjarige] te betalen bijdrage. In de (eind)beschikking van 22 december 2022 is het verzoek van de man, tot wijziging van de kinderbijdrage, afgewezen. 2.
  15. In de beschikking van 22 december 2022 heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, het volgende overwogen: “3.8 (…) Indien partijen ten tijde van de overeenkomst bewust hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven is wijziging slechts mogelijk als sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan die overeenkomst kan worden gehouden. (…) 3.10 De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk geworden dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW. Door de man zijn geen gegevens overgelegd betreffende zijn lasten ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan, noch heeft hij aangetoond welke financiële gegevens, waaronder die betreffende zijn inkomen, dan wel berekeningen ten grondslag hebben gelegen aan de in de overeenkomst opgenomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Bovendien heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de man op internet is gaan zoeken naar gegevens omtrent de wijze waarop kinderalimentatie wordt berekend en vastgesteld. Hij zou op basis van dat onderzoek zelf hebben vastgesteld dat zijn bijdrage bovenwettelijk zou zijn. Onder deze omstandigheden en bij gebreke aan verdere onderbouwing of stellingname, moet worden geoordeeld dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. 3.11 Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW waardoor de overeenkomst van partijen heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Door de man is aangevoerd dat zijn inkomsten zijn verminderd, maar dit heeft hij onvoldoende onderbouwd met stukken.” 2.
  16. De man is in hoger beroep gekomen tegen de voormelde beschikking van 22 december
  17. Bij beschikking van 18 april 2024 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van 22 december 2022 bekrachtigd. 2.
  18. Het hof heeft in de beschikking van 18 april 2024, voor zover nu van belang, het volgende overwogen: “5.6.
  19. Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt vast dat de man zijn wijzigingsverzoek zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft gebaseerd op grove miskenning van de wettelijke maatstaven, artikel 1:401 lid 5 BW en op een wijziging van omstandigheden, artikel 1:401 lid 1 BW. De rechtbank heeft het wijzigingsverzoek van de man afgewezen, omdat hij beide wijzigingsverzoeken onvoldoende had onderbouwd. In hoger beroep heeft de man in zijn beroepschrift wederom nagelaten zijn beroep op grove miskenning van de wettelijke maatstaven nader te onderbouwen. De man heeft niet gesteld, laat staan met inkomensgegevens en berekeningen onderbouwd, dat er sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe een rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Ook heeft de man niet gesteld en onderbouwd dat partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Sterker nog, op basis van de door de man overgelegde correspondentie tussen partijen uit de periode voorafgaand aan het sluiten van de alimentatieovereenkomst, kan juist de conclusie worden getrokken dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. (…) 5.
  20. Indien partijen bij het sluiten van een overeenkomst betreffende alimentatie bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, kan een overeenkomst betreffende alimentatie niet gewijzigd worden op grond van artikel 1:401 lid 5 of 1:401 lid 1 BW, maar geldt de zwaardere toets van artikel 1:159 lid 3 BW (HR 23 oktober 1987, NJ 1988/438).” 2.
  21. Op 10 februari 2025 heeft de man het onderhavige verzoekschrift tot wijziging van de kinderalimentatie ingediend. 2.
  22. Op 6 maart 2025 heeft de vrouw de man in kort geding gedagvaard. De vordering van de vrouw in conventie luidde, kort samengevat en voor zover nu van belang, de man te veroordelen tot nakoming van de alimentatieovereenkomst tussen partijen, zoals opgenomen in het op 10 mei 2016 gesloten ouderschapsplan. 2.
  23. Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 22 april 2025 is de vordering van de vrouw in conventie afgewezen. Dit omdat partijen, zoals volgt uit rechtsoverweging 4.
  24. van het kort geding vonnis, afspraken hebben gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] . Deze afspraak houdt in dat de man met ingang van 1 januari 2026 € 850,= per maand betaalt aan de vrouw in afwachting van de beslissing in de onderhavige bodemprocedure. 3De verzoeken 3.
  25. De man verzoekt nu, samengevat: a. de tussen partijen in het ouderschapsplan 2016 gemaakte afspraken over de hoogte van de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage te wijzigen in die zin dat de man aan de vrouw moet betalen: - € 804,= per maand met ingang van 1 januari 2022, - € 790,= per maand met ingang van 1 januari 2023, - € 815,= per maand met ingang van 1 januari 2024, althans een nader te bepalen bedrag; b. de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage over de jaren ingaande 1 augustus 2018 tot en met 2021 wordt verlaagd naar het volgende door de man aan de vrouw te betalen bedrag: - € 649,= per maand ingaande 1 augustus 2018, - € 667,= per maand ingaande 1 januari 2019, - € 199,= per maand ingaande 1 januari 2020, - € 718,= per maand ingaande 1 januari 2021, althans een nader te bepalen bedrag; c. te bepalen dat de vrouw over de jaren 2018 tot en met 2024 de door de man te veel betaalde bijdragen moet terugbetalen, zijnde over het jaar: i. 2018 € 4.880,=, ii. 2019 € 11.880,=, iii. 2020 € 17.808,=, iv. 2021 € 12.180,=, v. 2022 € 11.544,=, vi. 2023 € 12.532,=, vii. 2024 € 13.476,=, ofwel totaal een bedrag van € 84.310,=, althans een nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente in ieder geval vanaf de datum van indiening van het verzoek en de kosten die de man moet maken in verband met de terugvordering van de door hem teveel betaalde bijdrage; d. te bepalen dat de man gerechtigd is – voor zover verhaal op de vrouw voor wat betreft het door haar aan de man terug te betalen bedrag – niet of niet volledig plaatsvindt, zijn vordering op de vrouw te verrekenen met toekomstig door hem te betalen bijdragen; e. te bepalen dat de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage per 1 januari 2026 wordt verlaagd naar een bedrag van € 445,= per maand, maar niet hoger dan € 815,= per maand. 3.
  26. De vrouw verzoekt nu, samengevat: (deels) bij wege van zelfstandig verzoek: - primair: de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot wijziging van kinderalimentatie vanwege het gezag van gewijsde van de uitspraak van het gerechtshof van 18 april 2024 en de man daarbij te veroordelen in de reële proceskosten; - subsidiair: alle verzoeken van de man af te wijzen en te bepalen dat hij alsnog een aanzienlijk bedrag aan [minderjarige] en de vrouw voldoet en hem daarbij te veroordelen in de reële proceskosten. 4De beoordeling Wijziging bijdrage voor [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2018? (verzoek man sub a. en b.) 4.
  27. De man stelt dat partijen geen niet-wijzigingsbeding in de zin van artikel 1:159 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn overeengekomen. Ook gaat voormeld artikel, aldus de man, over partneralimentatie en niet over kinderalimentatie. Nu artikel 1:159 BW volgens de man niet van toepassing is, heeft het hof het juridisch kader van artikel 1:159 lid 3 BW ten onrechte aan de beslissing ten grondslag gelegd. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Hoge Raad van 1 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1689) zou hooguit de lichtere maatstaf van artikel 6:216 BW in verbinding met artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 6:258 BW kunnen worden toegepast. Nu echter geen sprake is van een niet-wijzigingsbeding is het, aldus de man, de vraag of zelfs deze lichtere grondslag van toepassing kan zijn. Volgens de man hebben partijen niet (bewust) willen afwijken van de wettelijke maatstaven. De man heeft de vrouw slechts behulpzaam willen zijn om, zo lang zij zelf onvoldoende inkomsten had, een extra bijdrage te leveren, zodat de vrouw met [minderjarige] in staat was om haar maandelijkse uitgaven te kunnen doen, waaronder de hoge huur van de door haar gehuurde woning. Over de hoogte van de overeengekomen bijdrage heeft de man destijds geen advocaat geraadpleegd, maar is hij uitgegaan van informatie van het internet. Volgens de man is de hoogte van het bedrag tot stand gekomen aan de hand van een door partijen opgesteld lijstje. Daarbij zijn partijen, aldus de man, uitgegaan van het op dat moment beperkte inkomen van de vrouw van ongeveer € 1.200,= per maand en de maandelijkse gezinslasten van de vrouw en [minderjarige] . Het bedrag van € 1.600,= per maand was, aldus de man, niet gerelateerd aan de hoogte van de behoefte van [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man (nader) toegelicht dat partijen de werking van het eerste lid van artikel 1:401 BW niet hebben beoogd uit te sluiten. Volgens de man gaat het om de bedoeling die partijen hebben gehad bij het maken van de alimentatieafspraak. Deze bedoeling van partijen moet, zo stelt de man, worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Partijen hebben beoogd ervoor te zorgen dat de vrouw met [minderjarige] niet op straat kwam te staan. Vanaf het moment dat de vrouw een relevant inkomen had – in ieder geval per 1 augustus 2018 – was volgens de man sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW. Op basis van de redelijkheid en billijkheid rustte op de vrouw de verplichting om de man te informeren over de genoemde wijzigingen in haar inkomen en woonlasten, aldus de man. 4.
  28. Door de vrouw is aangevoerd dat zowel de rechtbank als het hof hebben geoordeeld dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat een wijziging uitsluitend mogelijk is onder de maatstaf van artikel 1:159 lid 3 BW. Indien het hof hiermee een verkeerde maatstaf heeft aangelegd, zoals de man betoogt, had dit in een cassatieberoep aan de orde kunnen worden gesteld. De man heeft echter géén cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof. Volgens de vrouw is deze beslissing dan ook onherroepelijk geworden en komt aan de beslissing op grond van het bepaalde in artikel 236 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) gezag van gewijsde toe. Dit betekent, aldus de vrouw, dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek. Om ontvankelijk te kunnen zijn in zijn verzoek, moet volgens de vrouw sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, zoals dit volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2109). Niet gebleken is volgens de vrouw van feiten en/of omstandigheden die na 18 april 2024 zijn ontstaan. Weliswaar baseert de man zijn verzoek nu op een andere grondslag, maar het verzoek van de man is, aldus de vrouw, feitelijk niet anders. Voor zover een andere grondslag aan de orde zou zijn, hadden de rechtbank en/of het hof de rechtsgronden ambtshalve aan kunnen en moeten vullen en dat is niet gebeurd. 4.
  29. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of de beschikking van het hof van 18 april 2024 in kracht van gewijsde is gegaan en of aan de in die beschikking gegeven beslissingen gezag van gewijsde toekomt. Dit gelet op de wijze waarop de man zijn huidige verzoek heeft ingekleed en het daarop door de vrouw gevoerde verweer, inhoudende een beroep op het gezag van gewijsde van de beslissing van het hof. Daarbij ziet de rechtbank zich gesteld voor een zuiver juridische beoordeling van de (inhoudelijke) geschilpunten tussen partijen. Deze beoordeling laat geen ruimte om tegemoet te kunnen komen aan eventuele gevoelens van partijen. 4.
  30. Op grond van het bepaalde in artikel 236 lid 1 Rv. hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Dat betekent dat de beslissingen die in het kader van de rechtsstrijd tussen partijen in de in kracht van gewijsde gegane beslissing zijn genomen, ook in een nieuw geschil tussen partijen tot uitgangspunt moeten worden genomen. De beslissing in de eerdere procedure moet dezelfde rechtsbetrekking betreffen die in de latere procedure aan de orde is. Het antwoord op de vraag of in het eerder gevoerde geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of van het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Daarbij geldt dat met de term beslissingen niet alleen gedoeld wordt op het dictum van de betreffende beslissing, maar ook op de dragende overwegingen in die beslissing. Het voorwerp van de beslissing kan dus niet opnieuw het voorwerp van een procedure tussen partijen worden. Dit betekent dat alle beslissingen, zoals die in een eerdere beschikking zijn genomen, binden, zodat alle daarmee strijdige stellingen in een eventuele nieuwe procedure moeten worden verworpen en alle daarmee strijdige verzoeken moeten worden afgewezen. Het gezag van gewijsde staat er niet aan in de weg dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit ongeacht of deze andere grondslag ook al in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden (zie Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). 4.
  31. Bij het voorgaande moet aangetekend worden dat in beginsel ook gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen over geschillen met betrekking tot levensonderhoud. Dit gezag van gewijsde wordt echter in zoverre beperkt, dat op grond van het bepaalde in artikel 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken (zie Hoge Raad 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0902). Als de rechter artikel 1:401 lid 1 of lid 4 toepast, is hij niet gebonden aan oordelen over omstandigheden (geschilbeslissingen) uit de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht. Kort gezegd bestaat bij wijzigingsverzoeken op de voet van artikel 1:401 BW meer ruimte om in een later stadium nieuwe gegevens in te brengen. Het maakt daarbij ook niet uit of het aan een partij te wijten is dat de eerdere beschikking was gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens. 4.
  32. Vast staat tussen partijen dat tussen hen verschillende procedures zijn gevoerd die – voor zover nu van belang – hebben geleid tot de hiervoor genoemde beschikking van deze rechtbank van 22 december 2022 en de beschikking van het hof van 18 april
  33. Niet in geschil is tussen partijen dat tegen de laatste beschikking geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Voormelde beschikking van het hof is dus in kracht van gewijsde gegaan, waarmee de in die beschikking gegeven beslissingen gezag van gewijsde hebben gekregen. Zoals hiervoor is overwogen wordt met de term beslissing niet alleen gedoeld op het dictum van de beschikking, maar ook op de dragende overwegingen daarvan. Een dragende overweging van het hof, die heeft geleid tot een afwijzing van het verzoek van de man, is het oordeel dat partijen bij het sluiten van de alimentatieovereenkomst bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven (rechtsoverweging 5.6.
  34. in de beschikking van het hof van 18 april 2024). 4.
  35. Vast staat dat onderhavig geschil een geschil betreft tussen dezelfde partijen. Gelet op het beroep van de vrouw op het bepaalde in artikel 236 lid 1 Rv. is verder van belang of de beslissing in voormelde procedure bij het hof hetzelfde geschilpunt betrof als het nu aan de orde zijnde geschilpunt. Het antwoord op die vraag is onder meer afhankelijk van het processuele debat. Het hof heeft bij de beoordeling (zoals blijkt uit rechtsoverweging 5.6.1.) rekening gehouden met hetgeen door de man destijds in zijn beroepschrift is aangevoerd. Kort samengevat heeft de man toen aangevoerd dat de overeengekomen bijdrage niet alleen zag op kinderalimentatie, maar ook op verkapte partneralimentatie, dat partijen zich destijds niet door professionals hebben laten bijstaan, dat partijen zijn uitgegaan van het overzicht uit december 2015 met betrekking tot de totaallasten van de vrouw en dat het inkomen van de vrouw is gestegen sinds het maken van de alimentatieafspraak in
  36. Tijdens de procedure bij het hof heeft de vrouw verweer gevoerd en uit de overgelegde stukken en de toelichting door partijen volgt dat de standpunten van partijen bij het hof uitvoerig zijn besproken. In deze procedure herhaalt de man de door hem eerder bij het hof aangevoerde stellingen, feiten en omstandigheden, waarmee hij in feite deze stellingen, feiten en omstandigheden opnieuw ter beoordeling voorlegt. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden sinds de beschikking van het hof van 18 april
  37. 4.
  38. Zoals hiervoor is overwogen heeft het hof na het processuele debat tussen partijen afwijzend geoordeeld op het verzoek van de man. Het gezag van gewijsde en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengen mee dat in deze procedure niet opnieuw tegen de beslissingen van het hof kan worden opgekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 236 lid 1 Rv. gelden de beslissingen die het hof heeft genomen ook in deze procedure bindend tussen partijen. Dit betekent dat ook in deze procedure vast staat dat partijen bij het sluiten van de alimentatieovereenkomst bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De hiervoor besproken beperking van het gezag van gewijsde bij wijzigingsverzoeken op de voet van artikel 1:401 BW kan niet tot een ander oordeel leiden. Volgens vaste jurisprudentie ziet de beperking van het gezag van gewijsde in zaken van levensonderhoud enkel op omstandigheden die invulling geven aan de wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:397 lid 1 BW (zie Hoge Raad 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356). 4.
  39. De man grondt zijn huidige verzoek, primair, op het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW, stellende dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en dat partijen niet welbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Zoals hiervoor is overwogen komt echter gezag van gewijsde toe aan de beslissing van het hof, dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dat betekent dat deze beslissing van het hof ook in een nieuw geschil tussen partijen tot uitgangspunt moet worden genomen. Daarmee valt de primaire grond voor het verzoek van de man weg. 4.
  40. Subsidiair heeft de man aangevoerd dat, ingeval sprake is van welbewust afwijken van de wettelijke maatstaven, niet de strikte toets van artikel 1:159 lid 3 BW had mogen/moeten worden toegepast, maar dat zijn verzoek getoetst had moeten worden aan de minder zware toets van artikel 6:216 BW in verbinding met artikel 6:248 lid 2 BW en/of artikel 6:258 BW. De man voert aan dat, in het geval partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, een wijziging mogelijk kan zijn en verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:422). De rechtbank stelt vast dat het subsidiaire verzoek van de man een klacht is over toepassing door het hof van een onjuiste toetsingsmaatstaf en daarmee een onjuiste toepassing van het recht. Daarvoor staat cassatie open. Vast staat dat de man niet in cassatie is gegaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat het door hem ingewonnen cassatieadvies negatief was. Dat de man als gevolg van dit cassatieadvies de (proces)keuze heeft gemaakt om niet in cassatie te gaan maar onderhavig verzoek in te dienen, is een omstandigheid die naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico moet blijven. De subsidiaire grond van de man kan dan ook evenmin leiden tot toewijzing van zijn verzoek. 4.
  41. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het door de man aangehaalde tweede lid van artikel 6:248 BW geen zelfstandige grond vormt voor wijziging van een tussen partijen overeengekomen kinderbijdrage. 4.
  42. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aanvullend nog een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 1:401 lid 4 BW. Volgens deze bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dit geval ziet het verzoek van de man echter op een wijziging van de tussen partijen gemaakte afspraak en niet op wijziging van een rechterlijke uitspraak. Het vierde lid van artikel 1:401 BW mist dan ook toepassing. 4.
  43. De vrouw heeft primair verzocht om de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Het uitgangspunt is dat een verzoek niet ontvankelijk is als het niet tot een inhoudelijke behandeling komt, omdat niet is voldaan aan formele vereisten. Hiervoor heeft de rechtbank een beoordeling gegeven over de vraag of gezag van gewijsde toekomt aan een uitspraak (in dit geval de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2024). Hoewel een dergelijke beoordeling in beginsel een processueel karakter heeft, is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling in deze zaak meer materieel van aard is. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het verzoek van de man af te wijzen in plaats van de man niet ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat het verzoek van de man, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.
  44. onder a. en b. weergegeven, zal worden afgewezen. Terugbetalen te veel betaalde bedragen / verrekening (verzoek man sub c. en d.) 4.
  45. De man heeft verder verzocht om te bepalen dat de vrouw over de jaren 2018 tot en met 2024 een totaalbedrag van € 84.310,= aan hem moet voldoen, dan wel dat de man gerechtigd is zijn vordering op de vrouw te verrekenen met toekomstig door hem te betalen bijdragen. Dit betreft de verzoeken zoals deze hiervoor in rechtsoverweging 3.
  46. onder c. en d. zijn geformuleerd. 4.
  47. De rechtbank stelt vast dat de onderdelen c. en d. van het verzoek van de man samenhangen met dat deel van het verzoek dat ziet op wijziging van de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage (onderdelen a. en b. van het verzoek van de man). Nu het wijzigingsverzoek van de man wordt afgewezen, heeft dit tot gevolg dat ook het onder c. en d. vermelde deel van het verzoek van de man moet worden afgewezen. Wijziging bijdrage voor [minderjarige] met ingang van 1 januari 2026 (verzoek man sub e.) 4.
  48. De man legt aan zijn verzoek onder e. ten grondslag dat [minderjarige] per 1 januari 2026 een MBO opleiding gaat doen. De behoefte van [minderjarige] moet dan volgens de man worden bepaald aan de hand van de WSF-norm. Na verdeling van de draagkracht moet de door de man voor [minderjarige] te betalen bijdrage volgens hem worden verlaagd. 4.
  49. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat nog niet bekend is of [minderjarige] zal worden toegelaten tot de MBO opleiding. Volgens de vrouw is het verzoek van de man dus prematuur en moet dit verzoek worden afgewezen. 4.
  50. Zoals hiervoor is overwogen, is er geen grond voor wijziging van de tussen partijen overeengekomen bijdrage voor [minderjarige] . Dit betekent dat ook het verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage met ingang van 1 januari 2026 moet worden afgewezen. Daarbij heeft te gelden dat dit verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De man heeft zijn verzoek immers voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling gedaan waardoor de vrouw geen (tijdig) verweer heeft kunnen voeren. Bepaling van het bedrag dat de man aan de vrouw moet voldoen (subsidiair verzoek vrouw) 4.
  51. De vrouw stelt dat partijen in artikel 6.5 van het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat de man uit de winst van de verkoop van zijn aandelen van zijn vennootschap een aanzienlijk bedrag zal uitkeren aan [minderjarige] en de vrouw. Volgens de vrouw is het bedrijf van de man op 20 juli 2021 verkocht en moet de man nog een aanzienlijk bedrag aan de vrouw voldoen. 4.
  52. Volgens de man heeft hij geen vennootschap, noch aandelen verkocht. Voor zover de man enig bedrag zou moeten voldoen aan de vrouw en [minderjarige] , dan moet de hoogte van dit bedrag volgens de man door hem worden bepaald. 4.
  53. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de (advocaat van de) vrouw toegelicht dat haar subsidiaire verzoek beoordeling behoeft wanneer de rechtbank niet tot het oordeel komt dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek. 4.
  54. Naar het oordeel van de rechtbank is het subsidiaire verzoek van de vrouw, om te bepalen dat de man alsnog een aanzienlijk bedrag aan haar voldoet, zodanig onbepaald dat daarop niet kan worden beslist. Het subsidiaire verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. Daarbij wordt in het midden gelaten of het verzoek van de vrouw een verzoek is dat in het kader van een verzoekschriftprocedure kan worden behandeld dan wel of dit bij dagvaarding moet worden aangebracht. Reële proceskosten 4.
  55. De vrouw heeft (in de overgelegde stukken) verzocht om de man te veroordelen in de reële proceskosten van deze procedure. Volgens de vrouw maakt de man misbruik van bevoegdheid en van het procesrecht, omdat hij bij herhaling over hetzelfde geschil procedeert. De vrouw vindt dat zij onnodig op kosten wordt gejaagd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij nu veroordeling verzoekt van de man in de proceskosten conform het liquidatietarief. 4.
  56. De man heeft verweer gevoerd. 4.
  57. In hetgeen door de vrouw is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in familierechtzaken, inhoudende dat de proceskosten worden gecompenseerd. De rechtbank zal dan ook bepalen dat ieder van partijen de eigen proceskosten zal moeten voldoen. 5De beslissing De rechtbank wijst de verzoeken van partijen af; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, mr. Pulskens en mr. Skrotzki, en, in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 februari
  58. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.