RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11105 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober
- 1.
- De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 1.931 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig is € 7 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.
- De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon] , verbonden aan [B.V.] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking moeten worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten
- Belanghebbende heeft op 5 december 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Opel Vivaro Combi 1.6 CDTI L2H1 BiTurbo ecoFLEX met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.
- 3.
- Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 145 gram per kilometer met een bijbehorend bedrag aan bruto Bpm van € 14.
- 3.
- De auto is door de RDW gekeurd op 6 december
- De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 196 gram per kilometer, gebaseerd op de Scandinavische rekenmethode. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat moet worden uitgegaan van de CO2-uitstoot zoals door de RDW is bepaald. De bruto Bpm bedraagt in dat geval € 34.
- Hij heeft naar aanleiding daarvan de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 3.246 en de naheffingsaanslag opgelegd. 3.
- Belanghebbende heeft bij haar beroepschrift van 23 november 2023 een Certificaat van Overeenstemming (CVO) overgelegd van de auto waarop een CO2-uitstoot staat vermeld van 145 gram per kilometer. Overwegingen
- Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil de hoogte van de CO2-uitstoot. CO2-uitstoot 4.
- Belanghebbende stelt dat de CO2-uitstoot op 145 gram per kilometer moet worden vastgesteld conform het door haar overgelegde CVO. Zij heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij in 2023 bij de RDW een verzoek heeft ingediend voor het wijzigen van de CO2-uitstoot in het kentekenregister. Zij heeft daar tot op heden nog geen reactie op gehad, aldus belanghebbende. 4.
- De inspecteur stelt dat de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot van 196 gram per kilometer leidend is en dat het enkel in beroep overleggen van een CVO waarin een lagere CO2-uitstoot is vastgesteld niet voldoende is om tot een wijziging van de bij de RDW vastgestelde CO2-uitstoot te komen. 4.
- De rechtbank overweegt dat uit de van toepassing zijnde regelgeving blijkt dat het CVO het brondocument is waarin de CO2-uitstoot staat vermeld. De fabrikant van de auto heeft die CO2-uitstoot vastgesteld in het kader van de Europese typegoedkeuring. 4.
- De rechtbank leidt uit de stukken af dat de RDW op het moment van keuring van de auto nog niet in het bezit was van het CVO en de CO2-uitstoot daarom volgens de Scandinavische rekenmethode heeft vastgesteld. Dit neemt echter niet weg dat belanghebbende de hoogte van de CO2-uitstoot op een later moment alsnog ter discussie kan stellen indien blijkt dat de geregistreerde CO2-uitstoot niet juist is. In dit geval heeft belanghebbende het CVO omstreeks twee jaar na de registratie in Nederland overgelegd en de RDW verzocht de CO2-uitstoot aan te passen in het kentekenregister, tot nu toe nog zonder resultaat. Nu tussen partijen verder ook niet in geschil is dat het door belanghebbende overgelegde CVO deze auto betreft is de rechtbank van oordeel dat de RDW gehouden was om de CO2-uitstoot in het kentekenregister aan te passen conform het CVO. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen de Raad van State in haar uitspraak van 24 september 2025 heeft geoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur dan ten onrechte uitgegaan van een CO2-uitstoot van 196 gram per kilometer en dient conform het CVO te worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 145 gram per kilometer. De bruto Bpm bedraagt in dat geval € 14.
- Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende. 4.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm € 1.315 bedraagt zoals belanghebbende reeds op aangifte heeft voldaan. De naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking dienen daarom te worden vernietigd. Immateriële schadevergoeding 4.
- Belanghebbende heeft op 23 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.
- De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari
- De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 14 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.
- 4.
- Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt € 429 (4/14e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.071) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. 5.
- De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van €
- In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van €
- De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.
- Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 429; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.071; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Vgl ECLI:NL:RBZWB:2025:186 r.o. 4.9 tot en met 4.13 ECLI:NL:RVS:2025:4535 Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.