← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:839

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10456 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober
  2. 1.
  3. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 229 aan verschuldigde Bpm. 1.
  4. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam] , verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank
  6. Tussen partijen was alleen nog in geschil de hoogte van de CO2-uitstoot. Naar aanleiding van het door belanghebbende nader overgelegde stuk waaruit blijkt dat de CO2-uitstoot inmiddels ook in het kentekenregister is aangepast naar 50 gram per kilometer, heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat daarvan kan worden uitgegaan. Tussen partijen is daarom niet langer in geschil dat de bruto Bpm van de auto € 2.310 bedraagt. 2.
  7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm op grond van de forfaitaire afschrijvingstabel kan worden vastgesteld op € 1.012 zoals belanghebbende reeds op aangifte heeft voldaan. De naheffingsaanslag dient daarom te worden vernietigd. Immateriële schadevergoeding 2.
  8. Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 2.
  9. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 maart 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari
  10. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 23 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.
  11. 2.
  12. Omdat de bezwaarfase afgerond 19 maanden heeft geduurd en daarmee 13 maanden te lang, komt € 1.130 (13/23e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 870) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen
  13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. 3.
  14. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van €
  15. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van €
  16. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.
  17. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de naheffingsaanslag; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.130; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 870; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.