← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:841

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11779 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. [gemachtigde] , [B.V.] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november
  2. 1.
  3. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.568 aan verschuldigde Bpm. 1.
  4. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd. De inspecteur heeft daarbij een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van €
  5. 1.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon] , verbonden aan [B.V.] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank
  7. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.
  8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten
  9. Belanghebbende heeft op 14 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X5 xDrive 30d M Sport met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.
  10. 3.
  11. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.
  12. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.943 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd. 3.
  13. De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel gunstiger was. Hij heeft de verschuldigde Bpm in de uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 10.594 en de naheffingsaanslag verminderd naar € 5.
  14. 3.
  15. Tot de gedingstukken behoort een e-mail van de Belastingdienst van 15 april 2024 met als onderwerp ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. Hierin staat, voor zover hier van belang, het volgende: “Beste collega's, Na het koerslijstoverleg van woensdag 10 april jl. willen wij jullie met deze e-mail graag informeren over een aantal besproken aspecten. In de eerste plaats betreft dit de gesprekken met de koerslijstproviders. Tijdens het platform koerslijsten zijn pleitnota’s overgelegd waarin onder andere het standpunt is ingenomen dat de koerslijst niet toegepast kan worden omdat deze niet op daadwerkelijke handelstransacties is gebaseerd. Graag willen wij erop wijzen dat dit standpunt ingaat tegen het beleid van de Belastingdienst en derhalve niet ingenomen mag worden. Zoals in bijgevoegd memo uit 2019 is aangegeven, is het immers niet de bedoeling om in individuele gevallen de koerslijstwaarde ter zijde te schuiven met een beroep op de stelling dat de koerslijst niet is gebaseerd op handelstranscties. Zie ook de notulen van het LVO van april 2019, die je kunt vinden op (…). Inmiddels hebben (…) gesprekken gevoerd met de 4 koerslijstproviders. Deze gesprekken krijgen binnenkort een vervolg waarbij dan wederom een aantal concrete voertuigen zullen worden besproken, met voor ons niet verklaarbare grote verschillen tussen de inkoopwaarde en de koerslijstwaarde en tussen de koerslijstwaarden onderling. Doel is om hier gezamenlijk met de providers grip op te krijgen. Dit wijzigt echter (vooralsnog) niet ons beleid ten aanzien van de erkenning van de koerslijst van X-Ray, Autotelex, Eurotax en ANWB. In een volgend LVO komen de uitkomsten van de gesprekken aan de orde, ook in relatie tot het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1666) over het gebruik van de koerslijst voor niet-courante voertuigen. Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan. (…)” Overwegingen
  16. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast, de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. 4.
  17. Belanghebbende heeft gesteld dat de kostenvergoeding in de bezwaarfase tot een te laag bedrag is vastgesteld door de onterechte lagere puntwaarde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 slaagt deze beroepsgrond. Herleidingsmethode 4.
  18. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet. Afschrijvingsmethode 4.
  19. Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Is sprake van meer dan normale gebruiksschade? 4.
  20. De taxateur van belanghebbende heeft aan de auto schade geconstateerd en daarvan 72% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto’s geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt. 4.
  21. De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto twee jaar en acht maanden oud is en 70.755 kilometer heeft gereden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft gelet op dit oordeel geen behandeling meer. 4.
  22. Het voorgaande brengt met zich dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op de koerslijstmethode. Handelsinkoopwaarde 4.
  23. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 47.785 zoals blijkt uit de koerslijst van Xray die zij als nader stuk heeft overgelegd. 4.
  24. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de koerslijst van Xray waar belanghebbende zich op beroept niet kan worden gebruikt omdat de CO2-uitstoot afwijkt. 4.
  25. De rechtbank ziet geen aanleiding om de koerslijst buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot van drie gram per kilometer tussen de auto en het referentievoertuig. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd (zie 3.4), blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen. 4.10 Verder heeft de inspecteur aangevoerd dat de referentieauto in de koerslijst van belanghebbende uitgaat van een ander model, namelijk van een “High Executive” en niet van een M sport model. De rechtbank stelt aan de hand van de stukken vast dat zowel DRZ als belanghebbende in hun koerslijsten uitgaan van een “High Executive” model waaraan een M Sportpakket is toegevoegd. Beide partijen gaan daarbij uit van hetzelfde bedrag voor dit pakket van € 5.
  26. De rechtbank ziet gelet daarop geen reden waarom de koerslijst van belanghebbende niet gevolgd zou kunnen worden. 4.
  27. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde daarom vast op € 47.
  28. Historische nieuwprijs 4.
  29. Belanghebbende heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat ook de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld zoals blijkt uit de door haar overgelegde koerslijst van Xray. Nu de rechtbank van oordeel is dat deze koerslijst kan worden gebruikt stelt zij de historische nieuwprijs vast op € 112.
  30. Hoogte naheffingsaanslag 4.
  31. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 112.561, een handelsinkoopwaarde van € 47.785 en een bruto Bpm van € 22.866 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 9.
  32. 4.
  33. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 5.375 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 4.
  34. Immateriële schadevergoeding 4.
  35. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.
  36. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari
  37. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.
  38. 4.
  39. Omdat de bezwaarfase afgerond 14 maanden heeft geduurd en daarmee 8 maanden te lang, komt € 706 (8/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 794) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen
  40. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. 5.
  41. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van €
  42. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van €
  43. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.
  44. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.332; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 706; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 794; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. ECLI:NL:HR:2022:
  45. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:
  46. Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.