RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/432775 / HA ZA 25-138 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [partij 1] , te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij 1] , advocaat: mr. J.C. Koreman, tegen [partij 2] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij 2] , advocaat: mr. J. Nederlof. 1De zaak in het kort 1.1. [partij 1] en [partij 2] zijn broer en zus van elkaar. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van een woning in [plaats] . Partijen zijn daarmee deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap. Beide partijen willen verdeling van de gemeenschap door verkoop van de woning aan een derde. Partijen zijn het echter niet eens over de verdeling van de overwaarde van de woning. 1.2. De rechtbank bepaalt in dit vonnis de wijze waarop de woning verkocht moet worden en hoe de overwaarde verdeeld moet worden. 2Het verloop van de procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 25 juni 2025 en de daarin genoemde processtukken, de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende vermeerdering van eis van [partij 1] , de (antwoord)akte met betrekking tot wijziging van eis van [partij 2] , de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, de spreekaantekeningen van de advocaat van [partij 1] , zoals hij die tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen, de schriftelijke toelichting van [partij 2] , zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen. 2.2. De rechtbank heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er een vonnis zal komen. 3De feiten 3.1. [partij 1] en [partij 2] zijn broer en zus van elkaar. 3.2. [partij 1] en [partij 2] zijn samen voor gelijke delen eigenaar van de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: ‘de woning’). De akte van levering is op 21 juni 2002 bij de notaris gepasseerd. 3.3. In het kader van de financiering van de woning zijn partijen een hypothecaire geldlening aangegaan bij Aegon . Het betreft een aflossingsvrije spaarhypotheek ter hoogte van € 226.890,00 met een looptijd tot 21 juni 2032. Aan de spaarhypotheek is voor zowel [partij 1] als [partij 2] een verzekerings(spaar)polis gekoppeld. De maandelijkse premie daarvoor bedraagt € 110,58 en wordt door iedere partij zelf betaald. 3.4. Partijen hebben afgesproken dat met de hypothecaire geldlening niet alleen de koopsom van de woning en de kosten voor het verkrijgen daarvan zouden worden betaald, maar ook een persoonlijke schuld van beide partijen zou worden afgelost. Met dat doel heeft [partij 1] een bedrag van € 6.861,65 ontvangen en [partij 2] € 11.080,54. De aflossing van deze beide persoonlijke leningen is dus meegefinancierd in de hypotheek. 3.5. [partij 1] is na de aankoop van de woning in de woning gaan wonen. Vanaf 2015 is de echtgenote van [partij 1] bij hem ingetrokken. [partij 1] en zijn echtgenote hebben een dochter gekregen, die inmiddels 8 jaar oud is. [partij 2] en later ook haar (toenmalige) echtgenoot hebben in de periodes 24 juni 2002 tot 23 december 2004 en 13 april 2005 tot 12 februari 2008 ook in de woning gewoond. 3.6. [partij 1] heeft de kosten verbonden aan de woning, zoals de hypotheekrente en eigenaarslasten, steeds voor zijn rekening genomen. 3.7. Op 15 juni 2022 hebben partijen elkaar uitgebreid telefonisch gesproken. [partij 1] heeft van dat gesprek een transcriptie in het geding gebracht, opgesteld door een beëdigd vertaler Turks. In de transcriptie staan onder meer de volgende uitlatingen van [partij 2] te lezen: “Ik heb Aegon gebeld en gezegd, die jongen betaalt alles zelf, hij kan het betalen heb ik gezegd, ook toen het 1100 euro was betaalde hij het, heb ik gezegd. Ik heb alsjeblieft gezegd, ik hoef geen overwaarde van dit huis te hebben van mijn broer, hij, ik weet zeker heb ik gezegd, er is nog maar tien jaar overgebleven heb ik gezegd, jullie kunnen het hele huis aan hem geven, heb ik gezegd. (…) alsjeblieft heb ik gezegd, weet je waarom hij mij een handtekening heeft laten zetten, heb ik gezegd en mij mede-eigenaar heeft gemaakt? Hij weet niet hoe het moet, hij heeft het per ongeluk gedaan, heb ik gezegd, hij wilde alleen maar dat ik borg voor hem stond, ik zweer het, deze jongen betaalt alles zelf. (…) ze hebben gezegd, we zullen het gaan bekijken en zijn daarna weggegaan, als je het wil dan kan ik het proberen, want het is al twintig jaar, dat ik het op jouw naam zetten, ik heb gezegd, ik hoef geen overwaarde te hebben heb ik gezegd, per slot van rekening, het is mijn broer laat het goede op de juiste plek terechtkomen heb ik gezegd, ik hoef geen overwaarde heb ik gezegd (…), hij woont daar al twintig jaar en hij kan het niet zelf maar zet die polis op zijn naam, dan kan ik weg. (…) Echt waar [partij 1] , ik zeg het je nogmaals, ik zal Aegon bellen en zeggen, zet het allemaal maar op naam van mijn broertje, ik hoef niks, geen overwaarde, alleen maar hetgeen er uit mijn polis komt, zelfs dat, zelfs dat…. kan ik je helpen en het jou geven. (…) ik hoef die overwaarde niet, wat moet ik met de overwaarde van dit huis, dit huis heeft geen winst gemaakt [partij 1] , wij hebben gewoon geen geluk (…). Wat stelt dit huis nu voor, al twintig jaar lang heeft het geen overwaarde kunnen opbouwen, en de reden dat ik heb gewacht is omdat ik me geen schuld kon permitteren (…).” 3.8. De (toenmalige) advocaat van [partij 2] heeft [partij 1] bij brief van 20 november 2023 aangegeven dat [partij 2] niet meer samen eigenaar wilde zijn van de woning. [partij 1] is verzocht om aan te geven of hij mee wilde werken aan een overname van de woning, onder betaling aan [partij 2] van de helft van de overwaarde van de woning en de opgebouwde waarde van de spaarpolis. 3.9. [partij 1] heeft vervolgens zonder succes geprobeerd de benodigde financiering rond te krijgen. Uiteindelijk heeft ook [partij 1] aangegeven de woning te willen verkopen. De echtgenote en dochter van [partij 1] zijn inmiddels geëmigreerd naar Turkije . [partij 1] zal volgen zodra de woning verkocht is. 3.10. Er vinden gesprekken plaats tussen partijen om tot een oplossing te komen, onder begeleiding van een financieel adviseur en later de advocaat van [partij 1] . Deze gesprekken hebben niet het gewenste resultaat. 3.11. [makelaar] te [plaats] heeft de marktwaarde van de woning per peildatum 25 juli 2024 getaxeerd op € 350.000,00. Uit het taxatierapport van de makelaar van 2 augustus 2024 blijkt dat de bouwkundige toestand van de woning redelijk is en er binnen 5 jaar geen kosten voor de reparatie van gebreken te verwachten zijn. De WOZ- waarde van de woning bedroeg per 1 januari 2023 € 281.000,00. 4Het geschil De vorderingen van [partij 1] (de zaak in conventie) 4.1. [partij 1] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank: I. [partij 1] machtigt tot de verkoop van de woning en machtigt om daarbij alles te mogen doen en laten om via [makelaar] tot een spoedige verkoop tegen een reële marktprijs te komen, waarbij de woning te koop zal worden gezet voor een door de makelaar in overleg met [partij 1] te bepalen vraagprijs, en de woning zal worden verkocht voor een prijs gelijk aan of hoger dan de door [partij 1] in overleg met de makelaar te bepalen bodemprijs, II. [partij 2] verplicht om de werkzaamheden van de makelaar te gedogen en op eerste verzoek van de makelaar haar volledige medewerking te verlenen aan werkzaamheden gericht op verkoop van de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per gebeurtenis of dag dat [partij 2] haar medewerking geheel of gedeeltelijk niet verleent of verhindert dat de noodzakelijke werkzaamheden om te komen tot verkoop van de woning worden verricht, III. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste toestemming en/of wilsverklaring van [partij 2] tot het verlenen van een opdracht aan een door [partij 1] aan te wijzen makelaar, IV. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste toestemming en/of wilsverklaring van [partij 2] tot het sluiten van een koopovereenkomst met betrekking tot de woning voor een verkoopprijs gelijk of hoger dan de bepaalde bodemprijs, indien [partij 2] niet binnen een door de rechtbank te stellen termijn de vereiste toestemming, schriftelijke akkoordverklaring of ondertekening van de koopovereenkomst heeft gegeven of uitgevoerd, V. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van alle door [partij 1] te verrichten noodzakelijke (rechts)handelingen met betrekking tot levering van de woning na de verkoop daarvan, indien [partij 2] niet op eerste schriftelijke verzoek van de notaris binnen de door de notaris gestelde termijn medewerking verleent aan alle vereiste (rechts)handelingen voor overdracht en levering van de woning aan de koper, VI. bepaalt dat de kosten verband houdende met de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning, waaronder de kosten van de makelaar, voor rekening van [partij 1] en [partij 2] samen zijn en [partij 2] veroordeelt om de helft van de kosten voor haar rekening te nemen, VII. primair: voor recht verklaart dat er in de rechtsverhouding tussen [partij 1] en [partij 2] sprake was van slechts een overeenkomst van borgstelling en [partij 2] als gevolg hiervan geen recht heeft op enige (eventuele) overwaarde van de woning, subsidiair: voor recht verklaart dat er aan de kant van [partij 2] met betrekking tot haar eventuele aanspraken op (verdeling van) overwaarde op de woning sprake is van afstand van recht, meer subsidiair: de navolgende vergoedingsrechten die [partij 1] jegens de gemeenschap heeft toewijst en bepaalt dat [partij 1] gerechtigd is om deze bedragen te verrekenen met een eventueel aan [partij 2] toekomend aandeel in de gemeenschap en overwaarde van de woning, door de notaris bij voorrang uit de opbrengst te betalen aan [partij 1] : 1. een bedrag van € 93.752,43 (50% van € 187.504,85) aan de door hem betaalde (netto) hypotheekrente, 2. een bedrag van € 5.327,31 (50% van € 10.654,00) aan door hem betaalde eigenaarslasten over de periode 2002 tot en met december 2024, 3. een bedrag van € 22.291,21 (50% van € 44.582,42) aan door hem betaalde kosten van onderhoud en woningverbetering, 4. een bedrag van € 10.190,55 aan door hem betaalde extra hypotheekrente als gevolg van het in de hypotheek opnemen van het doorlopend krediet van [partij 2] , uiterst subsidiair: voor het geval de betaalde hypotheekrente en de extra betaalde hypotheekrente vanwege het opnemen van het doorlopend krediet in de hypotheek niet als gemeenschapsschulden hebben te gelden, aan [partij 1] toewijst de vorderingen die hij op [partij 2] heeft uit hoofde van: 1. de door hem betaalde hypotheekrente gedurende de periode dat [partij 2] en haar man bij hem woonden, van € 30.530,50 (50% van € 61.061,00), 2. de betaalde extra hypotheekrente als gevolg van het in de hypotheek opnemen van het doorlopend krediet van [partij 2] , van € 10.190,55, en bepaalt dat [partij 1] gerechtigd is om deze bedragen te verrekenen met een eventueel aan [partij 2] toekomend deel van de overwaarde van de woning, door de notaris bij voorrang uit de opbrengst te betalen aan [partij 1] , VIII. een verdeling beveelt die de rechtbank in goede justitie juist en wenselijk acht, IX. [partij 2] veroordeelt in de kosten van de procedure. 4.2. De primaire vordering onder VII (verklaring voor recht dat slechts sprake is geweest van een borgstelling) is door [partij 1] tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen onder VII zijn gehandhaafd. 4.3. [partij 1] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat hij het vonnis ook direct wil kunnen uitvoeren in het geval [partij 2] in hoger beroep gaat. 4.4. [partij 2] voert verweer. [partij 2] vindt dat [partij 1] niet ontvankelijk moet worden verklaard of dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen. De tegenvorderingen van [partij 2] (de zaak in reconventie) 4.5. [partij 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank: primair: [partij 2] machtigt tot het te gelde maken van de woning met behulp van [makelaar] , het te koop aanbieden van de woning en het tegen een door de makelaar redelijk geachte prijs verkopen van de woning, [partij 1] veroordeelt om [partij 2] toe te laten tot de woning wanneer dit met het oog op de verkoop noodzakelijk is, zoals noodzakelijke reparaties, opruimwerkzaamheden of dringende onderhoudswerkzaamheden en bezoeken van de makelaar of potentiële kopers, waarbij [partij 1] de adviezen van de makelaar dient op volgen en daaraan zijn medewerking moet verlenen, bepaalt dat [partij 1] na verkoop van de woning moet zorgen voor ontruiming van de woning tenminste 7 dagen voor de leveringsdatum bij de notaris, onder machtiging van [partij 2] om dit in geval van weigering door derden op kosten van [partij 1] te laten verrichten, waarbij [partij 1] [partij 2] en deze derden tot de woning moet toelaten, [partij 1] veroordeelt om [partij 2] een dwangsom van € 500,00 te betalen voor iedere keer dat hij niet aan de veroordeling onder B en C voldoet, tot een maximum van € 50.000,00, bepaalt dat indien [partij 1] niet tijdig voldoet aan wat hiervoor is gevorderd, dit vonnis in de plaats treedt van de toestemmende wilsverklaring van [partij 1] voor dat deel van de notariële akte van levering, met bepaling dat de akte rechtsgeldig kan worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers, subsidiair: bepaalt dat [makelaar] wordt belast met de verkoop van de woning, bepaalt dat [partij 1] een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop moet aangaan met [makelaar] en [partij 1] gelast om te verschijnen bij het makelaarskantoor om de bemiddelingsovereenkomst te ondertekenen, bepaalt dat [partij 1] de verkoopadviezen van [makelaar] moet opvolgen, waaronder de adviezen over de marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder de gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat moet verkeren, I. bepaalt dat de makelaar de vraagprijs bindend vaststelt indien partijen er niet binnen twee weken na opdrachtverlening in slagen om samen de vraagprijs te bepalen, bepaalt dat partijen de makelaar kunnen vragen om de verkoopprijs bindend vast te stellen, indien partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, bepaalt dat [partij 1] moet meewerken aan ondertekening van een koopovereenkomst met daarin de dag van levering aan de koper(s), binnen vijf dagen na een verzoek daartoe van [makelaar] en [partij 1] gelast om daartoe te verschijnen op kantoor van de makelaar en de koopovereenkomst te ondertekenen, indien de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, of een door partijen overeengekomen andere laatprijs en waarbij de koopovereenkomst de voor de woning gebruikelijke condities bevat, [partij 1] veroordeelt tot medewerking aan ondertekening van de notariële akte van levering, binnen vijf dagen na een verzoek daartoe van de notaris en [partij 1] gelast om bij de notaris te verschijnen om de akte te ondertekenen en alle handelingen te verrichten die nodig zijn voor de levering van de woning, bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij Aegon bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de opbrengst van de woning en dat aan beide partijen de op zijn/haar naam gestelde spaarverzekering wordt toebedeeld, bepaalt dat iedere partij de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten van verkoop en levering moet dragen, bepaalt dat de verkoopopbrengst na aflossing van de resterende hypothecaire geldlening, de taxatiekosten en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht, gelijk tussen partijen moet worden verdeeld, bepaalt dat [partij 1] een dwangsom moet betalen van € 500,00 per dag dat hij de bovengenoemde veroordelingen niet nakomt, met een maximum van € 50.000,00, bepaalt dat indien [partij 1] niet tijdig voldoet aan dat wat hierboven is gevorderd, dit vonnis in de plaats treedt van de toestemmende wilsverklaring van [partij 1] voor dat deel van de bemiddelingsovereenkomst, koopovereenkomst en leveringsakte, met bepaling dat de aldus opgemaakte akte rechtsgeldig kan worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers, [partij 1] veroordeelt tot het betalen van een gebruiksvergoeding ter hoogte van het bedrag dat door de rechtbank als vordering zal worden toegewezen ten laste van [partij 2] , of gelijk aan de lasten die voor rekening van [partij 2] zouden komen in haar hoedanigheid van eigenaar van de woning c.q. schuldenaar van de lening, of een door de rechtbank te bepalen vergoeding, in alle gevallen: [partij 1] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, [partij 1] veroordeelt in de nakosten en daarvoor een bevelschrift afgeeft, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. 4.6. [partij 1] voert verweer. [partij 1] vindt dat de vorderingen van [partij 2] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [partij 2] in de proceskosten. 4.7. De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen in het kader van de onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd. 5De beoordeling In beide zaken 5.1. Beide partijen hebben vele uitgebreid geformuleerde vorderingen ingesteld. In de kern zijn de vorderingen van beide partijen gericht op de verkoop van de woning en de verdeling van de opbrengst. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van [partij 1] (in conventie) en [partij 2] (in reconventie) zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. Verkoop van de woning 5.2. Zowel [partij 1] als [partij 2] willen tot een verkoop van de gezamenlijke woning aan een derde komen. [partij 1] heeft duidelijk gemaakt dat hij zijn leven verder vorm wil geven in Turkije , waar zijn echtgenote en dochter al verblijven in afwachting van de verkoop van de woning. [partij 2] heeft duidelijk gemaakt dat zij verder wil met haar leven, samen met haar kinderen, zonder de last van de gezamenlijke woning en bijbehorende gezamenlijke hypotheek. Geen van partijen wil dus eigenaar blijven van de woning. Ondanks dat beide partijen verkoop van de woning aan een derde willen, slagen zij er niet in om dit in onderling overleg voor elkaar te krijgen. Tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht dat het geschil over de verdeling van de opbrengst van de woning daar aan in de weg staat. 5.3. Partijen hebben aangegeven te verwachten dat zij met bijstand van hun advocaten in staat zullen zijn om de verkoop van de woning in onderling overleg te realiseren, zodra de rechtbank duidelijkheid heeft gegeven over de verdeling van de opbrengst. Beide partijen hebben hun vorderingen gericht op de wijze van verkoop van de woning echter niet ingetrokken en de rechtbank niet gevraagd om enkel te oordelen over de – kort gezegd – financiële vorderingen. Dat betekent dat de rechtbank ook zal bepalen op welke wijze de woning verkocht dient te worden, nu daar geen overeenstemming over bestaat. 5.4. Daarbij geldt op grond van artikel 3:185 BW dat de rechtbank de verdeling van de woning vast kan stellen, zonder dat zij daarbij gebonden is aan wat partijen hebben gevorderd. De rechtbank stelt de wijze van verdeling van de woning als volgt vast, daarbij rekening houdend met de belangen van beide partijen. Daarbij geldt ook dat dit vonnis in de plaats treedt van een daartoe benodigde akte indien een partij zijn of haar medewerking (alsnog) weigert. 5.5. Beide partijen dienen het door hen allebei genoemde makelaarskantoor [makelaar] opdracht te geven om de verkoop van de woning op zich te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om één van partijen te machtigen tot verkoop over te gaan, mede namens de andere partij. Beide partijen zijn voor een gelijk deel eigenaar van de woning en beide partijen willen tot een verkoop komen. Van beide partijen kan en mag worden verlangd dat zij daaraan hun volledige medewerking verlenen, binnen 3 weken na dit vonnis. 5.6. De ingeschakelde makelaar zal in overleg met zowel [partij 1] als [partij 2] een marktconforme vraag- en laatprijs van de woning bepalen. Als dat overleg niet binnen een week na het voorstel van de makelaar tot overeenstemming tussen partijen leidt, geldt dat de makelaar de vraag- en laatprijs bindend voor partijen vaststelt. 5.7. [partij 1] is degene die in de woning woont. De rechtbank ziet gelet op de privacy van [partij 1] geen reden om te bepalen dat [partij 2] toegang dient te krijgen tot de woning. Het belang van [partij 2] bestaat er uit dat de woning zo goed mogelijk verkocht kan worden, wat ook op een andere manier bereikt kan worden. Het belang van [partij 1] prevaleert wat betreft de toegang tot de woning boven het belang van [partij 2] . Dat houdt wel in dat [partij 1] gehouden is om alles te doen wat een goede en spoedige verkoop van de woning bevordert. [partij 1] is in dat kader gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen. Hij dient bijvoorbeeld de woning zo representatief mogelijk te houden, te faciliteren dat foto’s gemaakt kunnen worden en dat bezichtigingen plaats kunnen vinden. 5.8. Partijen zullen de (ver)koopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bindend bepalen. Indien de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de derde. 5.9. Partijen zijn over en weer verplicht de noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten om de voormelde wijze van verdeling te effectueren. Dat houdt onder meer in het ondertekenen van de benodigde overeenkomsten (met het makelaarskantoor en de koper(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.